- Home
- Paintings, Drawings and Prints
- Alchemist van de avant-garde [Max Ernst]
- Home
- Modern Art
- Alchemist van de avant-garde [Max Ernst]
Alchemist van de avant-garde [Max Ernst]
- By Didier, Michel
- Published 24 April 2008
- Paintings, Drawings and Prints , Modern Art
- Unrated
Didier, Michel
Kunsthistoricus Michel Didier schrijft artikelen voor week- en maandbladen en is hoofdredacteur van het - gratis - online-kunsttijdschrift Cosimo. Daarnaast verzorgt hij cursussen en lezingen sinds 1987 en organiseert en begeleidt hij culturele reizen.
www.tijdruimte.nl
www.cosimo.nl
'Niemand was zo goed in de zakken van de werkelijkheid binnenstebuiten te keren als Max Ernst,' zei Tristan Tzara. Van verschillende kunstenaars wordt beweerd dat ze de beste of de invloedrijkste van deze eeuw zijn. In één opzicht geldt dat voor Ernst: hij ontwikkelde een hele reeks technieken die de traditionele schilderkunst, grafiek en zelfs sculptuur moesten vervangen. Collage, frottage, raclage, grattage, assemblage, dripping en décalcomanie zijn uiteindelijk tot het standaardrepertoire gaan horen van de twintigste-eeuwse kunstenaar.
Max Ernst komt in 1891 ter wereld in Brühl, een duffe voorstad van Keulen, tijdens het bewind van keizer Wilhelm II. Papa Ernst is enthousiast amateurschilder en staat toe dat zijn oudste kind 'zorgvuldig alle studie mijdt, die in een broodwinning zou kunnen ontaarden. Schildert.' (Ernst schrijft in 1962 een autobiografie, in de derde persoon, afwisselend in telegramstijl en hilarische uitweidingen.)
Vlak voor het uitbreken van de oorlog sluit Ernst een levenslang 'vriendschapsverdrag' met de Elzasser Jean Arp. In 1916 richten Tzara en andere anti-kunstenaars in Zürich dada op. Ernst wordt besmet door het dada-virus, maar is nog onder de wapenen. Hij krijgt 'trouwverlof' om Luise Strauss, vice-directrice van het Wallraf-Richartz-Museum in Keulen, te huwen. Na de wapenstilstand maakt hij met Arp en Johannes Baargeld van Keulen een dada-centrum. Het affiche van de eerste tentoonstelling (motto: Sla het warme ei uit de hand) wordt door de Engelse bezettingsautoriteiten in beslag genomen. De tweede expositie, in 1920, is ook een succès de scandale: 'De door het publiek in woedeuitbarstingen vernielde werken worden regelmatig door nieuwe vervangen. Aangiften (wegens oplichting, pornografie, verstoring van de openbare orde enz.) worden, nadat de beschuldigden door de politie zijn verhoord, terzijde gelegd. De tentoonstelling wordt door de politie gesloten. Een brief uit Brühl (van vader Philipp): "Ik vervloek je. Je hebt onze naam onteerd", enz.'
Behalve producten van zondagsschilders en geestesgestoorden, wetenschappelijke modellen en gevonden voorwerpen als stenen en parapluies, exposeren Baargeld en Ernst zelfgemaakte anti-kunst. Ernst vervaardigt collages met knipsels uit postordercatalogi en wetenschappelijke publicaties. Compositie vervangt hij door samenvoegen, het organische door het mechanische ('Origineel draai-reliëf uit de long van een 17-jarige roker'). Ook schildert hij opgeplakte knipsels weer weg, zodat een ogenschijnlijk willekeurige selectie aan figuren en voorwerpen overblijft, waar meestal verwijzingen naar geslachtsorganen toe behoren, gecombineerd met afbeeldingen van technische voorwerpen. Om nog meer afstand te nemen van de academische kunstopvatting, gebruikt hij liniaal en passer om exacte cirkels en kaarsrechte lijnen te tekenen.
De kubist Picasso geldt als de uitvinder van de collage: hij en Braque plakten rond 1911 papierknipsels op hun schilderijen. Deze 'papiers collés' hebben echter een heel andere esthetische functie dan de latere collages van Ernst en de zijnen. Het 'papier collé' is 'architectonisch' bedoeld, met nadruk op de vorm en textuur van het papier, dat past in de compositie. De inhoud of betekenis doet er voor de kubisten niet toe. De dada-collage daarentegen is, in Ernsts woorden, 'een nieuwe vorm van choquerende en verrassende kunst'. Voor Ernst is een collage geen onderdeel van een schilderij, maar de negatie van een schilderij, anti-kunst dus. Door dingen te gebruiken die weinig of niets met kunst van doen hebben (tijdschriftillustraties, gebruikte materialen) en geheel nieuwe technieken te gebruiken, probeert hij een alternatief te formuleren voor schilderkunst.
Het stoutste jongetje van de klas vertrekt in 1922 naar Parijs, op uitnodiging van Paul Eluard en André Breton, de kopstukken van de surrealistische beweging die zich op dat moment ontwikkelt uit de destructieve dada. Aanvankelijk probeert Ernst de surrealistische speurtocht naar de verholen, ware werkelijkheid te vertalen in olieverfschilderijen met christelijke en mythologische thema's. De heilige Cecilia en Freuds Oedipus giet hij in plantaardige vormen die zo uit een biologieboek lijken genomen. De schilderijen hebben het karakter van collages: 'de systematische uitbuiting van de toevallige of kunstmatig teweeggebrachte ontmoeting van twee of meer wezensvreemde realiteiten binnen een daartoe ogenschijnlijk ongeschikt kader - en de vonk poëzie, die bij toenadering van deze realiteiten overspringt.' Collage is eveneens Frans voor ongehuwd samenwonen, en het begrip is van toepassing op vrijwel al Ernsts werk. De voorlopig laatste consequentie van de collages is het reliëf 'Twee kinderen bedreigd door een nachtegaal', een paneel met een echt hekje voor een geschilderd huisje. Het is tijd voor een andere benadering.

In 1936 haalt Ernst een jeugdherinnering op aan de patronen op een houten kast, die door een koortshallucinatie allerlei beelden opriepen en die in beweging leken te komen. Dertig jaar later (10 augustus 1925) komt de herinnering terug als hij in een hotelkamer naar de verweerde vloerplanken staart, waarvan de lijnen uit lijken te vloeien tot grillige beelden. Hij besluit reproducties van de planken te maken door er papier op te laten vallen en er met potlood overheen te wrijven: 'Als hij de afdrukken bekijkt, is hij verrast door de plotselinge intensivering van zijn visionaire vermogens. Hij is verrukt en probeert op dezelfde manier alle mogelijke andere materialen door te lichten - bladeren met hun nerven, de uitgerafelde randen van jute zakken, de streken van een paletmes op een 'modern' schilderij, enzovoort. De zo verkregen tekeningen verloren bij hun ontstaan het karakter van het gebruikte materiaal, dus bijvoorbeeld van het hout, en namen de verschijningsvorm aan van ongelooflijk nauwkeurige tekens, die waarschijnlijk de oorspronkelijke aanleiding van het dwangmatige idee openbaarden of daarvan althans een schijnbeeld gaven.'
Max Ernst komt in 1891 ter wereld in Brühl, een duffe voorstad van Keulen, tijdens het bewind van keizer Wilhelm II. Papa Ernst is enthousiast amateurschilder en staat toe dat zijn oudste kind 'zorgvuldig alle studie mijdt, die in een broodwinning zou kunnen ontaarden. Schildert.' (Ernst schrijft in 1962 een autobiografie, in de derde persoon, afwisselend in telegramstijl en hilarische uitweidingen.)
Vlak voor het uitbreken van de oorlog sluit Ernst een levenslang 'vriendschapsverdrag' met de Elzasser Jean Arp. In 1916 richten Tzara en andere anti-kunstenaars in Zürich dada op. Ernst wordt besmet door het dada-virus, maar is nog onder de wapenen. Hij krijgt 'trouwverlof' om Luise Strauss, vice-directrice van het Wallraf-Richartz-Museum in Keulen, te huwen. Na de wapenstilstand maakt hij met Arp en Johannes Baargeld van Keulen een dada-centrum. Het affiche van de eerste tentoonstelling (motto: Sla het warme ei uit de hand) wordt door de Engelse bezettingsautoriteiten in beslag genomen. De tweede expositie, in 1920, is ook een succès de scandale: 'De door het publiek in woedeuitbarstingen vernielde werken worden regelmatig door nieuwe vervangen. Aangiften (wegens oplichting, pornografie, verstoring van de openbare orde enz.) worden, nadat de beschuldigden door de politie zijn verhoord, terzijde gelegd. De tentoonstelling wordt door de politie gesloten. Een brief uit Brühl (van vader Philipp): "Ik vervloek je. Je hebt onze naam onteerd", enz.'
Behalve producten van zondagsschilders en geestesgestoorden, wetenschappelijke modellen en gevonden voorwerpen als stenen en parapluies, exposeren Baargeld en Ernst zelfgemaakte anti-kunst. Ernst vervaardigt collages met knipsels uit postordercatalogi en wetenschappelijke publicaties. Compositie vervangt hij door samenvoegen, het organische door het mechanische ('Origineel draai-reliëf uit de long van een 17-jarige roker'). Ook schildert hij opgeplakte knipsels weer weg, zodat een ogenschijnlijk willekeurige selectie aan figuren en voorwerpen overblijft, waar meestal verwijzingen naar geslachtsorganen toe behoren, gecombineerd met afbeeldingen van technische voorwerpen. Om nog meer afstand te nemen van de academische kunstopvatting, gebruikt hij liniaal en passer om exacte cirkels en kaarsrechte lijnen te tekenen.
De kubist Picasso geldt als de uitvinder van de collage: hij en Braque plakten rond 1911 papierknipsels op hun schilderijen. Deze 'papiers collés' hebben echter een heel andere esthetische functie dan de latere collages van Ernst en de zijnen. Het 'papier collé' is 'architectonisch' bedoeld, met nadruk op de vorm en textuur van het papier, dat past in de compositie. De inhoud of betekenis doet er voor de kubisten niet toe. De dada-collage daarentegen is, in Ernsts woorden, 'een nieuwe vorm van choquerende en verrassende kunst'. Voor Ernst is een collage geen onderdeel van een schilderij, maar de negatie van een schilderij, anti-kunst dus. Door dingen te gebruiken die weinig of niets met kunst van doen hebben (tijdschriftillustraties, gebruikte materialen) en geheel nieuwe technieken te gebruiken, probeert hij een alternatief te formuleren voor schilderkunst.
Het stoutste jongetje van de klas vertrekt in 1922 naar Parijs, op uitnodiging van Paul Eluard en André Breton, de kopstukken van de surrealistische beweging die zich op dat moment ontwikkelt uit de destructieve dada. Aanvankelijk probeert Ernst de surrealistische speurtocht naar de verholen, ware werkelijkheid te vertalen in olieverfschilderijen met christelijke en mythologische thema's. De heilige Cecilia en Freuds Oedipus giet hij in plantaardige vormen die zo uit een biologieboek lijken genomen. De schilderijen hebben het karakter van collages: 'de systematische uitbuiting van de toevallige of kunstmatig teweeggebrachte ontmoeting van twee of meer wezensvreemde realiteiten binnen een daartoe ogenschijnlijk ongeschikt kader - en de vonk poëzie, die bij toenadering van deze realiteiten overspringt.' Collage is eveneens Frans voor ongehuwd samenwonen, en het begrip is van toepassing op vrijwel al Ernsts werk. De voorlopig laatste consequentie van de collages is het reliëf 'Twee kinderen bedreigd door een nachtegaal', een paneel met een echt hekje voor een geschilderd huisje. Het is tijd voor een andere benadering.

In 1936 haalt Ernst een jeugdherinnering op aan de patronen op een houten kast, die door een koortshallucinatie allerlei beelden opriepen en die in beweging leken te komen. Dertig jaar later (10 augustus 1925) komt de herinnering terug als hij in een hotelkamer naar de verweerde vloerplanken staart, waarvan de lijnen uit lijken te vloeien tot grillige beelden. Hij besluit reproducties van de planken te maken door er papier op te laten vallen en er met potlood overheen te wrijven: 'Als hij de afdrukken bekijkt, is hij verrast door de plotselinge intensivering van zijn visionaire vermogens. Hij is verrukt en probeert op dezelfde manier alle mogelijke andere materialen door te lichten - bladeren met hun nerven, de uitgerafelde randen van jute zakken, de streken van een paletmes op een 'modern' schilderij, enzovoort. De zo verkregen tekeningen verloren bij hun ontstaan het karakter van het gebruikte materiaal, dus bijvoorbeeld van het hout, en namen de verschijningsvorm aan van ongelooflijk nauwkeurige tekens, die waarschijnlijk de oorspronkelijke aanleiding van het dwangmatige idee openbaarden of daarvan althans een schijnbeeld gaven.'

