Op de internationale tentoonstelling van Antwerpen in 1930 leek het alsof België zich in korte tijd de elegante en verfijnde decoratie- en ontwerpprincipes had eigen gemaakt waar de Franse ontwerpers de wereld in 1925 mee verrasten. Belgische decoratieve schilders en beeldhouwers, meubelmakers, ensembliers en vooral keramisten traden overtuigend naar voren.

Voor wie de ontwikkelingen in België sinds het begin van de eeuw nader had beschouwd kwam een en ander niet als een verrassing. De wortels van al dat fraais lagen in de reactie op de overbekende art nouveau, die al kort na de eeuwwisseling was ingezet. Hoewel Victor Horta na 1900 grote opdrachten kreeg, waren hij en met hem de zwierige Belgische variant op de art nouveau al over hun hoogtepunt heen en trad her en der een verstrakking van ornament en een versobering van detail in, een nadruk op stereometrische massa's in de bouwkunst en op architecturale vormen in de toegepaste kunst. Het buitengewoon luxueuze paleis dat de Oostenrijkse ontwerper Josef Hoffmann voor de Brusselse ingenieur Stoclet bouwde geldt als de gangmaker van de nieuwe richting in de toegepaste kunst. Eveneens in Brussel prijkt wat als hét antwoord op de frivole buitenissigheden van de art nouveau werd
beschouwd, de kliniek van Dr. Van Neck van Antoine Pompe. Toen het strak ingedeelde gebouw in 1910 gereed kwam, wekte het sensatie in architectuurkringen: studenten trokken in groepen naar de Wafelaertsstraat om de gevel te bediscussiëren.

Na de eerste wereldoorlog zouden de nieuwe vormgevingsprincipes op grote schaal worden toegepast. De stralende gevolgen variëren van de strakke monumentaliteit van de befaamde Boerentoren in Antwerpen tot de kleine, fijn gedecoreerde villa's van Oscar Van Cauwenberghe in Zottegem. Het wellicht spectaculairste voorbeeld van exuberante art déco-vormgeving is te vinden in Sint-Niklaas: het hoofdgebouw van het klooster der Broeders Hiëronymieten aan de Nieuwstraat heeft een sobere, nauwelijks versierde gevel die niet doet vermoeden dat er een in warme kleuren oranje en groen gekleurde hal achter schuilgaat. Talloze getrapte bogen op sokkels van zwart marmer en bekleed met geglazuurde tegels doen denken aan oosterse koffiehuizen en niet bepaald christelijke moskeeën. Op de hoekige zuilen zijn kleine glastegeltjes op goud aangebracht; de vloer is ingelegd met gebogen banen van gevlamd marmer. Een imposant glas-in-loodvenster met Christus Koning van Eugeen Yoors en gestileerd geschilderde vrouwen completeren wat alleen nog maar de entree is van Leander Waterschoots gebouw uit 1932.

Robert Vandevelde, die de beelden in en aan het klooster vervaardigde, is slechts een van een hele vloed aan modernistische kunstenaars die hun talenten in de jaren twintig goeddeels in decoratieve zin aanwendden. Tot het wat oppervlakkige modernisme dat vooral in Frankrijk, Engeland en België in de mode was, bekenden zich rond 1925 ook kunstenaars als de beeldhouwer Oscar Jespers en de later surrealistische schilder René Magritte. Aan het art décowerk van Jespers zijn duidelijk de typisch Belgische stijlkenmerken af te lezen:  extreme vereenvoudiging van natuurlijke vormen, een rigoureuze architecturale constructie en een primitivisme waarvan de vormen grotendeels Afrikaans zijn geïnspireerd. Net als in Nederland zich in de jaren twintig invloeden uit Nederlands-Indië doen gelden en in Frankrijk en Engeland vormen en materialen uit Aziatische, Polynesische en Afrikaanse koloniën terug zijn te vinden, zo stonden Belgische ontwerpers zeer open voor 'de stijl van de Congo'.

Op de geruchtmakende internationale expositie in Parijs in 1925 bleken de Belgische ontwerpers al helemaal klaar te zijn voor het stormenderhand nemen van de internationale interieurs. Philippe Wolfers streek met het glasservies 'La Gioconda' de Prix René Lalique op en baarde opzien met een spectaculaire eetkamer, waarvan de tienhoekige vorm terugkwam in de parketvloer, het tapijt en de drinkglazen. Meer op de kubische vormen van De Stijl waren bureau en fumoir gebaseerd van architect Huib Hoste en schilder Victor Servranckx; het was het product van een serie elegante meubels, vervaardigd door Joseph de Bruyker van Het Binnenhuis in Roulers.

De meeste erkenning viel het Belgische aardewerk ten deel: de Grand Prix in deze categorie werd toegekend aan een serie grote vazen die Charles Catteau had vervaardigd voor Boch-Fréres-Kéramis. Al sinds 1907 was de Fransman Catteau artistiek directeur van de firma uit La Louviére, maar pas na 1919 werd zijn invloed merkbaar in de producten: naast handgedraaid aardewerk voor een select publiek, veelal met bloemmotieven gedecoreerd, bleef Boch potten, schalen en vazen in massaproductie maken, maar in heldere, monochrome kleuren. Karakteristiek zijn de fijne craquelures die bij het bakproces ontstaan. Naast Catteau zelf, die tot 1945 aan Boch verbonden bleef, kregen ontwerpers van buitenaf opdrachten, zoals Maurice Dufresne, de artistiek directeur van de werkplaats van het Parijse warenhuis Printemps, La Maitrise. Vanaf 1922 exposeerde Boch elk jaar op de Parijse Herfstsalon en werkte zij samen met de vier grote warenhuizen. De series aardewerk die daar het resultaat van waren, zijn gesigneerd met zowel het stempel van Boch als dat van Louvre, Printemps, Lafayette of Samaritaine.

Het zeer Franse karakter van de Belgische art déco heeft waarschijnlijk het internationale succes ervan verzekerd. De veelvuldig opduikende scheepsvormen in Belgische woonhuizen en winkelpanden bewijst hoe populair deze 'style paquebot' bij de bevolking was. Behalve fraai glas-in-loodwerk geven ronde vensters, afgeronde hoeken, balkons met buisprofielen en golvend metselwerk aan dat België in ieder geval te land een zeevarende natie was.

© Michel Didier
Origine 3, 1994