Kunstpedia - http://www.kunstpedia.com
Op zoek naar goud en erkenning: de schat van Troje
http://www.kunstpedia.com/articles/262/1/Op-zoek-naar-goud-en-erkenning-de-schat-van-Troje/Page1.html
Didier, Michel
Kunsthistoricus Michel Didier schrijft artikelen voor week- en maandbladen en is hoofdredacteur van het - gratis - online-kunsttijdschrift Cosimo. Daarnaast  verzorgt hij cursussen en lezingen sinds 1987 en organiseert en begeleidt hij culturele reizen.

www.tijdruimte.nl
www.cosimo.nl 

 
By Didier, Michel
Published on 24 April 2008
 
De naam Troje is al tientallen eeuwen een strijdkreet in de Europese cultuur. De befaamde Ilias van Homerus is het oudste literaire werk van Europa. Met dat boek in de hand ontdekte Heinrich Schliemann in 1873 het oudste Troje, weliswaar niet dat van Homerus, maar de formidabele schat die hij uit Turkije smokkelde is zo legendarisch geworden als de heldendaden van Hector en Achilles. In 1945 verdween de schat uit Berlijn, om een halve eeuw later pas op te duiken in Rusland. Het touwtrekken om de schat resulteerde in tentoonstellingen in Rusland en nu in Duitsland.

De naam Troje is al tientallen eeuwen een strijdkreet in de Europese cultuur. De befaamde Ilias van Homerus is het oudste literaire werk van Europa. Met dat boek in de hand ontdekte Heinrich Schliemann in 1873 het oudste Troje, weliswaar niet dat van Homerus, maar de formidabele schat die hij uit Turkije smokkelde is zo legendarisch geworden als de heldendaden van Hector en Achilles. In 1945 verdween de schat uit Berlijn, om een halve eeuw later pas op te duiken in Rusland. Het touwtrekken om de schat resulteerde in tentoonstellingen in Rusland en nu in Duitsland.

Heinrich Schliemann (1822-90) verloor zijn baantje als loopjongen bij een kruidenier in Ankershagen, een klein stadje in het noordoosten van Duitsland, en zocht zijn geluk bij een Duitse handelsmaatschappij in Amsterdam. Hij bleek een talenwonder: uiteindelijk sprak hij zeventien talen vloeiend en een aantal andere een beetje, zodat zijn firma hem haar in Rusland liet vertegenwoordigen. Daar verwierf de ambitieuze Schliemann een flink kapitaal, voornamelijk in de indigohandel, en huwde hij Jekaterina Lisjina, die hem drie kinderen schonk. Het was een ongelukkig huwelijk, wat blijkt uit de vele brieven die hij haar zond uit het buitenland, want in de zeventien jaar dat hij met haar was getrouwd, reisde hij de wereld rond om nog vel meer kapitaal te vergaren. Dubieuze transacties in de Verenigde Staten verdubbelden zijn vermogen en de Krimoorlog maakte hem een van de rijkste burgers van Europa.

Volgens eigen zeggen was hij van kindsbeen af gefascineerd door het oude Griekenland, zoals dat in alle heroïsche glorie oprees uit de boeken van Homerus. Dat was niet bijzonder, want daar hadden de meeste Europeanen in de negentiende eeuw last van, maar Schliemann had de middelen, de verbeeldingskracht en het doorzettingsvermogen om zijn droom werkelijkheid te maken: met het opgraven van de stad Troje bewijzen dat Homerus in zijn Ilias de exacte locaties beschreef van de heldendaden van Achilles, Menelaos, Hector, Odysseus en de andere Griekse vorsten in de tienjarige strijd om de stad. Hij reisde van zijn woonstad Parijs naar de Turkse stad Pinarbasi, dat door verschillende geleerden was aangewezen als de plaats die de oude bard had beschreven. De Amerikaanse consul ter plekke, de Brit Frank Calvert, overtuigde hem ervan dat niet daar, maar bij de stad Hissarlik het roemruchte Troje te vinden moest zijn. Calvert had al de helft van de landerijen op de heuvel opgekocht en hielp Schliemann met het verkrijgen van een firman, een opgravingsvergunning van de Turkse autoriteiten. Na veel bureaucratische rompslomp kreeg hij uiteindelijk zijn firman, onder de voorwaarde dat hij de helft van alle vondsten naar het pas geopende museum in Istanboel zou sturen.

De ongeduldige Schliemann begon te graven buiten het hem toegewezen gebied en dolf een schacht van twintig bij veertig meter, om zo snel mogelijk bij de onderste laag te komen van de verschillende op elkaar gebouwde nederzettingen. Daarbij groef hij onbewust dwars door de stad die Homerus had beschreven (nu bekend als Troje VI en VII), maar stuitte vijftien meter diep wel op metalen voorwerpen. Omdat hij zijn werklui voor geen cent vertrouwde, laste hij een werkpauze in (onder het mom van zijn verjaardag) en groef in zijn eentje en verbluffende schat op van meer dan 9000 goeddeels gouden voorwerpen (daarbij telde hij elke kettingkraal mee), die hij in zijn enthousiasme de 'Schat van Priamus' noemde, naar de legendarische koning van Troje, vader van Hector en Paris en schoonvader van de befaamde schoonheid Helena. In werkelijkheid groef hij Troje II op, zo'n 1200 jaar ouder dan Homerus' Troje.

Schliemann was nooit van plan geweest zich aan de overeenkomst met de Turken te houden en smokkelde de schat naar Athene, waar hij hem verdeelde over huizen van vrienden en verwanten in heel Griekenland. Hij was namelijk hertrouwd met een zeventienjarige Griekse, Sofia Engastromenos. In zijn ijver om, als een eigentijdse Pygmalion, van haar een echte archeologe te maken, schreef hij dat hij de schat samen met zijn trouwe echtgenote had opgegraven, terwijl zij in werkelijkheid in Griekenland was gebleven. De Turken waren woest en spanden in Griekenland een proces aan tegen Schliemann. Na een jaar procederen werden ze in het gelijk gesteld en moest hij 10.000 goudfranken betalen. Hij betaalde er 50.000 en hield de schat. Hij keerde zelfs verschillende malen terug naar Hissarlik en haalde nog meer vondsten naar de oppervlakte, die echter nooit zulke schokgolven door de wereld zonden als de 'Schat van Priamus' had gedaan.

De onvermoeibare Schliemann begon aan een eindeloze reeks lezingen en presentaties in Europa en Amerika. In Engeland werd hij enthousiast onthaald (de latere premier Gladstone was een van zijn bewonderaars), in Frankrijk waren de reacties lauwer en in zijn eigen Duitsland werd hij in archeologische kringen uitgesproken vijandig bejegend. Het academisch establishment verwierp zijn gevolgtrekkingen, veroordeelde zijn onoordeelkundige verwoesting van veertig meter Troje en beschuldigde hem van vervalsingen. Schliemann, die niets liever wilde dan erkend te worden als serieus archeoloog, schreef honderden woedende brieven en het ene boek na het andere. Zelfs toen hij in 1976 de Griekse stad Mycene en het gouden masker van 'koning Agamemnon' opgroef (alle vondsten bevinden zich in het Nationaal Museum in Athene), kwam de storm van verontwaardigd dédain niet tot bedaren. Hij kreeg het ook aan de stok met Frank Calvert, toen hij de ontdekking van Troje voor zich alleen (met de hulp van Sofia dan) opeiste. Maar in de ogen van het grote publiek was hij een held, die de droom van de negentiende-eeuwse burger verwerkelijkte: het tot leven brengen van de Klassieke Oudheid, zodat men zich op één hoogte kon voelen met de vorsten en helden die aan de wieg van de Europese beschaving hadden gestaan.
Nadat de grote musea in Londen en Parijs weinig belangstelling hadden getoond, schonk Schliemann in 1881 het overgrote deel van zijn collectie aan de nieuwe Duitse staat, die hem onderbracht in het Völkerkundemuseum, later het Museum voor Pre- en Protohistorie genoemd, in Berlijn. Zelf bleef hij in Athene wonen, met Sofia en hun kinderen Agamemnon en Andromache, in het riante 'Paleis van Ilion' (later het Hooggerechtshof, nu het Numismatisch Museum), ontworpen door de Oostenrijkse architect Ernst Ziller in Italiaanse Renaissancestijl en van binnen geheel in oud-Griekse stijl gedecoreerd. Toen Schliemann stierf in 1890 als gevolge van een slecht uitgevoerde ooroperatie, kwam hij te rusten op de begraafplaats van Athene, in een mausoleum dat eveneens door Ziller was ontworpen, naar model van de Athena-Niketempel op de Akropolis. Sofia, toen nog pas 38 jaar, schonk de overgebleven verzameling aan het Atheens museum.

'Het goud van Troje' bleef zestig jaar permanent tentoongesteld in Berlijn, waar het een van de archeologische topattracties was, samen met het Pergamonaltaar en de kop van Nefertiti, waarmee het jonge rijk de Franse en Britse collecties naar de kroon stak. Door de oorlogsdreiging in 1937 werd het in veiligheid gebracht op verschillende plaatsen, tot het uiteindelijk werd ondergebracht in de massieve 'Flakturm'-bunker in de dierentuin, die de Berlijnse kunstschatten tegen Engelse en Amerikaanse bommen moest beschermen. Daar vonden speciaal voor oorlogsbuit ingestelde 'trofee-eenheden' van het Russische leger het in mei 1945. Met meer dan tweeënhalf miljoen (!) andere Duitse kunstschatten werden Schliemanns vondsten op transport gesteld naar Moskou, in afwachting van een nog te bouwen 'supermuseum' dat het perfide Westen moest overtuigen van de kracht en morele superioriteit van de Sovjet-Unie.

Het museum kwam er nooit. Van de door het Rode Leger 'geredde' en in Rusland 'bewaarde' kunstwerken en kunstvoorwerpen werden in 1955 anderhalf miljoen teruggegeven aan de DDR. Er bleven dus nog ruim een miljoen voorwerpen achter, in het diepste geheim opgeslagen in de kelders van de Hermitage, het Poesjkin Museum en in talloze kleinere en provinciale musea, bij ministeries en allerlei instituten, om nooit meer te voorschijn te komen. In West-Duitsland nam men aan dat alles verloren was gegaan, totdat twee Russische kunsthistorici in de jaren tachtig op het spoor kwamen van geheimzinnige ruimten in musea, verborgen achter geheime deuren waar slechts door vele jaren noest werk voor de Partij gelauwerde conservatoren toegang toe hadden. Tijdens de perestroika publiceerden ze het ene artikel na het andere over het geroofde goed in ArtNews, wat hen niet in dank werd afgenomen door hun superieuren in de musea waar ze werkten. Ondanks de intimidatie en dreigementen door de museumdirecties, het Ministerie van Cultuur en de KGB moesten de autoriteiten, na enkele jaren categorisch ontkennen, in 1994 uiteindelijk toegeven dat de verdwenen kunstwerken in Rusland waren opgeslagen.

Verschillende instanties die zich hard maakten voor teruggave van het gestolen goed aan Duitsland wisten president Boris Jeltsin ervan te overtuigen om zijn staatsbezoek aan Duitsland luister bij te zetten door de omvangrijke collectie van de Kunsthalle in Bremen terug te geven, maar het ministerie en de musea kwamen in het geweer. De kunst moest worden beschouwd als rechtmatig aan het Russische volk toekomende compensatie voor het door de Duitsers aangedane leed in de oorlog, en tegenover elke teruggave moest een op zijn minst gelijkwaardige teruggave staan van door de Duitse legers geroofde Russische cultuurschatten. Het probleem was, dat die cultuurschatten in 1945 al waren teruggegeven door de Amerikanen, maar in die roerige tijden had niemand er acht op geslagen en niemand wist waar die zich konden bevinden. De Oost-Duitse autoriteiten hadden in 1955 al te kennen gegeven dat zich geen roofgoed van Russische origine meer op hun grondgebied bevond, hetgeen de terugkeer van ook Schliemanns schat naar Berlijn op het laatste nippertje verhinderde. Omdat er geen enkele document van de teruggave van het half miljoen aan Russische kunstschatten bestond, had in de afgelopen decennia in Rusland de mythe postgevat, dat alles wat door de nazi's was geroofd zich in geheime opslagplaatsen in West-Duitsland bevond, of door de Amerikanen op de kunstmarkt was verkocht. "De Amerikaanse musea moeten verzadigd zijn van met Russisch cultureel erfgoed", stelde Irina Antonova, directrice van het Poesjkin Museum. Nationalistische partijen in het Russisch parlement wierpen zich op de kwestie, als betrof het het laatste wat Rusland nog bezat om de status van supermacht te behouden.

En zo bleef ook de Schat van Priamus in Moskou, niettegenstaande de vele pogingen op het allerhoogste niveau om het Grieks-Turks-Duits-Russische erfgoed in Duitsland te krijgen. Zelfs voor een tentoonstelling staan de Russen het niet af, bang als ze zijn dat het niet meer terugkomt. Om het westers publiek tevreden te stellen, de Duitse archeologen te laten zien dat de spullen in veilige handen zijn en de Russische claim te onderschrijven, organiseerden de Hermitage en het Poesjkin verschillende tentoonstellingen van 'kunsttrofeeën'. In 1996 legde Irina Antonova, de directeur van het Poesjkin Museum die in 1946 nog had meegemaakt hoe de kratten uit Duitsland werden opengemaakt, in de catalogus bij de tentoonstelling Het goud van Troje. De zoektocht naar Homerus' legendarische stad omstandig uit dat Schliemann en zijn vondsten zoveel banden hadden met Rusland, dat het eigenlijk als Russische collectie moest worden beschouwd.

In arren moede organiseerden de gefrustreerde Duitsers zelf maar een Troje-tentoonstelling, onder de veelzeggende titel Troje - droom en werkelijkheid. De zeer succesvolle tentoonstelling, die achtereenvolgens in Stuttgart, Brunswijk en Bonn te zien was (nog tot 1 april in Bonn) gaat vooral in op de opgraving van de stad door Schliemann, met virtuele reconstructies en een dikke, verantwoorde catalogus. Er zijn 'archeologische schatten' te zien uit het Museum voor Pre- en Protohistorie in Berlijn, maar niet uit Troje. Wel is er het 'grote diadeem' dat Schliemann opgroef en er voor de foto zijn vrouw Sofia mee sierde. Zij schonk het aan zijn geboortestad Ankershagen. De overige vondsten uit Troje zijn afkomstig uit het museum in Istanboel, opgestuurd door Schliemann na het proces en bij latere opgravingen, maar ook geconfisqueerd door de Turkse politie van twee van Schliemanns arbeiders in 1873. Ze werden in 1983 al in Istanboel tentoongesteld en twee jaar later in Tokyo. Van de oorspronkelijke schat zijn in Bonn ook replica's te zien. Dat is de werkelijkheid. De droom blijft voorlopig in Moskou.

© Michel Didier
Origine 1/2002

Gebruikte literatuur
Caroline Moorehead, Lost and Found. The 9,000 Treasures of Troy. Heinrich Schliemann and the Gold that Got Away, Londen: Weidenfeld & Nicholson, 1994
Konstantin Akinsja en Grigorii Kozlov, Stolen Treasures. The Hunt for the World's Lost Masterpieces, Londen: Weidenfeld & Nicholson, 1995
Vladimir Tolstoj en Michail Treister, The Gold of Troy. Searching for Homer's Fabled City, Milaan: Leonardo Arte, 1996, tentoonstellingscatalogus Poesjkin Museum, Moskou
Susan Heuck Allen, Finding the Walls of Troy. Frank Calvert and Heinrich Schliemann at Hisarlik, Berkely en Los Angeles: California University Press, 1999