door Philip Freriks - De mens is in de wereld van de moderne wetenschap niet meer het centrum van het universum, er is geen plaats meer voor het mysterie van het menszijn. Alleen de kunst kan uitdrukking geven aan het ondoorgrondelijke bestaan en moet daarom tot een heilige plicht worden verheven. Dat vonden de Franse Symbolisten ruim een eeuw geleden.

Singer Laren toont van 2 oktober tot en met 27 januari 2008 een groots overzicht van de Kunstenaars van de Ziel, meer dan 150 werken van Franse symbolisten afkomstig uit een in Nederland nooit eerder geëxposeerde grote privé verzameling. Philip Freriks mocht een blik werpen in de privé omgeving van deze unieke verzamelaar, Madame Lucile Audouy.

Het is een huis op een geheime plek. Althans, het dringende verzoek is om geen plaatsnaam te noemen en zelfs de naam van ’s konings raadgever die het jachthuis in de tweede helft van de zeventiende eeuw kocht, moeten we  maar buiten beschouwing laten. ‘Anders zou meteen duidelijk zijn waar dit alles zich bevindt en je weet maar nooit,’ zegt de vrouw des huizes, Madame Lucile Audouy, kunsthandelaar en vooral eigenares van een unieke verzameling symbolistische kunst. Het hele huis, ergens in het grensgebied tussen de uitdijende Parijse voorsteden en het platteland, staat en hangt vol met schilderijen en beeldhouwwerken. Allemaal 19e eeuw, haar specialisme.



En zeg niet tegen haar dat de academisch schilderende voorgangers van de impressionisten ‘pompeuzen’ zijn, zoals ze spottend worden genoemd. Dan voelt ze zich persoonlijk aangesproken en gaat ze in de verdediging. ‘Uit dat woord pompeuzen spreekt minachting, terwijl de académiques zeer vaardige kunstenaars waren,’ zegt ze bestraffend. We zijn dan al binnen in die wat duistere kamers achter de hoge witte luiken. Kunst in alle vormen en formaten, geen plekje leeg op de muren die toch in ruime mate voorhanden zijn; een raadsheer van koning Lodewijk de Veertiende kon zich een buiten van enige omvang wel veroorloven. De wat dieper gelegen jachtkamer met z’n manshoge open haard en zware steunbalken aan het plafond staat zo vol met de meest uiteenlopende kunstwerken dat de oneerbiedige associatie met de Grot van Ali Baba zich  opdringt.

Ali Baba als gepassioneerd collectioneur welteverstaan. Want dat is ze, Lucile Audouy, onverzadigbaar verzamelaar met een speciale passie voor het Franse symbolisme.

Eerder had ze zelf het wat weerspannige roestige hek geopend. Een kleine worsteling voor de al niet meer zo jonge frêle vrouw die ze is. Weduwe, alleen wonend met vier honden waarvan er maar één vervaarlijk doet. Ze had met kennelijk genoegen de complimenten aanvaard over dat geheime huis met z’n twee machtige kastanjebomen aan weerszijden van de toegangspoort. ‘Het is nog altijd als toen,’ vertelt ze trots. ‘Nog volledig in z’n jus. Niets aan veranderd. Dat geldt ook voor de tuin.’ We lopen door de brede gang die zo kenmerkend is voor dit soort historische huizen, als verbinding tussen de entree en de deuren aan de achterkant, met toegang tot de zijkamers en de keuken. Hoge plafonds en dito muren met manshoge tableaux van onbereikbare vergezichten. Het decor van Wanderbuben met Weltschmerz. Op de grond de oude plavuizen. Zorgvuldig onderhouden. De passen van Lodewijk de Veertiende liggen er. Onzichtbaar en toch zo prominent aanwezig.


Alexande Seon, La Pensee

Zijn vader, de zo fragiele Lodewijk XIII, kwam hier vanwege het meisje op wie hij hopeloos verliefd was en die voortijdig stierf. Zoals gebruikelijk in hofkringen, werd haar hart in een gouden pot begraven, achter het huis onder de cederboom die in de loop der eeuwen is uitgegroeid tot een gigantisch natuurmonument op zich. Giechelend vertelt Madame dat de vorige eigenaar naar de pot had gezocht en die ‘natuurlijk niet’ had gevonden. ‘C’est une légende. Belle, mais une légende,’ zegt ze met zichtbaar genoegen omdat de overlevering hier kennelijk zo mooi past in de bovenaardse sfeer van het symbolisme. Bij hen die men de Schilders van de Ziel heeft genoemd. Het symbolisme is, net als het impressionisme, het bedenksel van een journalist. Althans, die nieuwe –ismen werden voor het eerst op de kunstpagina’s van Franse kranten gesignaleerd. In 1874, in het geval van Claude Monet ging het met zijn beroemde, Impressie, opkomende zon en soortgelijke werken van zijn medestanders, om een spotnaam. De term symbolisme gold echter als opwaardering van de zogenoemde ‘decadente dichters’. Een recensent schreef in 1886 in de Figaro Littéraire dat ‘hen meer recht zou worden gedaan door hun dichtkunst als symbolistische poëzie te omschrijven.’ Wat geldt voor de dichtkunst, geldt ook voor het symbolisme in de beeldende kunst: zichtbaar maken wat afwezig is, wat transcendent en buiten de zichtbare werkelijkheid is.

Het symbolisme is dan ook een stroming waarin verschillende kunstuitingen samen komen. Er werd gestreefd naar het Wagneriaanse ideaal van het Gesamtkunstwerk, de integratie van alle kunsten in één groot en schitterend geheel. Kunst als allesomvattende apotheose. En net zoals het gedachtegoed van Wagner vaak als niet helemaal zuiver op de graat werd beschouwd, zo werd ook het symbolisme gezien als uiting van een nogal twijfelachtige levenshouding. Het weemoedig esoterische, het doodsverlangen, het artistieke lijden, de verborgen erotiek die seksuele frustratie zou verraden, de hang naar oude conservatieve waarden, de fascinatie voor het leven in de middeleeuwen en de mythologie, de hang naar een zeker obscurantisme; het zijn elementen die in verband werden gebracht met dubieuze ideologieën. Het symbolisme presenteerde zich dan ook als een reactie op wat de impressionisten nou juist zo fascinerend vonden: de industriële revolutie met z’n nieuwe esthetiek, treinen, bruggen, fabrieken, spoorwegstations als kathedralen van de nieuwe mensheid, zoals Théophile Gautier ze omschreef, het geloof in de nieuwe wereld van moderniteit en rationaliteit. Kortom, een optimistische levensvisie die in schril contrast staat met het cultuurpessimisme van de symbolisten die de totaalverloedering van deze aardkloot dachten mee te maken. In die zin is er waarschijnlijk wel enige overeenkomst met het tijdsgewricht van nu. Met de digitale revolutie en globalisering heerst opnieuw het gevoel van een pijlsnel veranderende wereld. Ook de mens van het begin van deze 21e eeuw is kennelijk ten prooi aan verwarring en verlangt naar spiritualiteit, betekenis en zingeving. De mysterieuze, sfeervolle wereld van de Franse symbolisten van toen heeft zijn actualiteit nog geenszins verloren.

Hoe dan ook, de symbolistische beeldende kunstenaars, voorgegaan door later alom erkende dichters als  Baudelaire, Mallarmé en Verlaine, zien de oude wereld afsterven, ze beleven het als een soort einde der tijden. Ze geven zich over aan melancholie. De oude waarden worden gesublimeerd. Met name in katholieke landen worden de industrialisatie en alles wat daarbij hoort als een negatieve ontwikkeling ervaren. De cultuurfilosoof Walter Benjamin vatte dat als volgt samen: ‘Het besef van het duivelse duikt op waar die van de moderniteit in aanraking komt met het katholicisme.’ De schrijver Emile Zola, kunstkenner bij uitstek, hield het bij een kort: ‘simpele reactie op de moderne wereld.’ Lucile Audouy koerst half rennend door haar huis, van lichtknopje naar drieweg stekker, rommelend met verlengsnoeren en mopperend op schemerlampen die niet onmiddellijk het gewenste effect sorteren. ‘Alsof we een graftombe binnenstappen,’ grapt ze in het donker knoeiend met haar dradenkluwen en komt vervolgens tot de verrassende conclusie dat Madonna met de door minister Donner zo verguisde Christusscène ‘een symbolistische artieste is, ook al weet ze dat zelf misschien niet.’ Niets meer symbolisch voor het lijden van de mens dan Christus aan het kruis, legt ze uit en juist veel symbolisten hebben zichzelf geportretteerd als een gekruisigde Jezus. Ze beschouwden hem als hun alter ego. ‘Voilà,’ zegt ze trots op haar trouvaille. ‘Het hogere bereiken, de perfectie als het even kan, met name in de kunst, is een lijdensweg.’

Bij het licht wordt zichtbaar dat het huis met de voetstappen van de Zonnekoning wel een verfje kan gebruiken maar met deze uitpuilende verzameling zou dat op onmogelijke logistieke problemen stuiten. Lucile Audouy leidt ons een slaapkamer binnen met een groot bed in Jugendstil, een uniek exemplaar in z’n genre, in de winter van 2004-2005 nog te zien in het Van Gogh Museum bij een tentoonstelling van Art Nouveau en de Parijse kunsthandel Maison Bing. Aan de muur grote doeken van de Fransman Alphonse Osbert, die vanwege zijn licht pointillistische toets kennelijk onder invloed stond van zijn stippelende vriend Georges Seurat. Bijna een hele wand wordt ingenomen door het monumentale Sérénité met vrouwen in engelachtige gewaden, de blik op het hogere gericht. Een werk van bezinning en geestdrift dat ooit bedoeld was voor de eetkamer van een gefortuneerde familie in Vichy.