‘In het symbolisme kijken de personages altijd omhoog. Nooit naar beneden. Altijd een beweging naar het hogere,’ gaat Lucile Audouy door. De vrouwen van Osbert zijn als bovenaardse godinnen, die, overeenkomstig het symbolistisch denken, evenzeer zuiverheid als de vrouwelijke verleiding symboliseren. Lucile Audouy neemt het graag voor haar rekening. ‘Het wit en het zwart van de vrouw. Het wit van de muze, de redding, de troost, de rust van de strijder, het geluk. En het zwart van de femme fatale, de verleidster, de lust, het verlangen, de vervoering.’ Ze lacht koket en waarschuwt: ‘De vrouw is zowel van het seksuele plezier als de geestelijke verheffing. Van beide dus. Het is niet of maar en. Ze is dubbel, de beelden vullen elkaar aan.’ En ze herkent zich als vrouw daar wel in? ‘Ieder wezen heeft een schaduwkant. Vergeet niet, het was de tijd van Freud. Graven in het onbewuste. Dat intrigeerde de symbolisten zeer. Ze geven uitdrukking aan diepe  verlangens. En zeker, de erotiek speelt een rol. Maar daarbij is het mystieke samenzijn sterker dan de vleselijke eenwording.’

Dan neemt ze ons mee naar haar eigen slaapvertrek. Kleiner dan het vorige. Een éénpersoonsbed omringd door haar meest geliefde werken. Ze zal ze voor ‘Laren’ een tijdje moeten missen. Geen nachtkastje maar een tafeltje voor het raam met daarop een deel van de verzamelde werken van Baudelaire. Als ze al tot het symbolisme is ‘bekeerd’ heeft dat veel met hem te maken. Dankzij haar literatuurstudie. Zo raakte ze in de ban van de 19e-eeuwse dichters en hun gedachten in hogere sferen. En verzamelen heeft ze altijd gedaan; oude handtasjes en schelpen toen ze nog een kind was.


Odilon Redon, Cul-de-lampe

Ze wijst naar een klein schilderij, La Pensée van Alexandere Séon, die met Osbert en Aman-Jean eveneens tot  de vrienden behoorde van Seurat en eigenlijk allemaal onder invloed stonden van de beroemde Puvis de Chavannes. ‘Haar blik is naar binnen gekeerd. Ze ontstijgt het aardse door haar innerlijke leven. Er omheen zit de oorspronkelijke lijst. Prachtig gedaan. De symbolisten hadden veel aandacht voor dergelijke details. De lijst is onderdeel van het werk. Ze ontwierpen ze vaak zelf.’

‘De impressionisten,’ schrijft Jean-David Jumeau-Lafond in de catalogus van De Schilders van de Ziel, ‘waren in de jaren ’80 van de 19e eeuw al niet meer de echte vernieuwers. Ze schilderden de zichtbare, materiële wereld.’ Met andere woorden: geen mysterie, geen blik op de ziel en het diepere wezen. De impressionisten keken niet omhoog maar naar beneden. De symbolisten constateerden dat de mens in de wereld van de moderne wetenschap niet meer het centrum van het universum was en er geen plaats meer was voor het mysterie van het menszijn. Daarom moest kunst tot een welhaast heilige plicht worden verheven. Alleen de kunst zou uitdrukking kunnen geven aan het ondoorgrondelijke van het bestaan.

Dat alles werd met name verwoord door een schilderachtige figuur, Joseph Péladan, die zichzelf tot Joséphin had omgedoopt, wat een stuk chiquer klonk. In een lang blauw (kleur van de symbolisten) gewaad, met zwarte wilde haardos en lange donkere baard presenteerde hij zich als de magiër Sâr Mérodak, Groot-Meester van de nieuw opgerichte Kabbalistische Rozenkruisers. Hij propageerde zijn theorieën in saaie toneelstukken die door zijn medestanders voor diepzinnig werden versleten. De moraal was dat de redding van de wereld zat in de ‘terugkeer van de ziel naar de schoonheid’. Dat vrijmetselarij en ‘joods affairisme’ de schuld waren van alle narigheid op aarde zal niet bijgedragen hebben aan de reputatie van het symbolisme, ook al was het iets dat in die tijd vrij courant werd beweerd. Naar zijn idee diende de Nôtre-Dame in ieder geval vervangen te worden door het Louvre bij wijze van erkenning van de kunstenaar als ‘priester, koning en profeet’. Dat hij desondanks niet geheel van lotje getikt was, blijkt uit het feit dat hij vanaf 1892 de zogenoemde Salons de Rose+Croix organiseert. Veel beroemdheden uit die tijd zoals Pierre Puvis de Chavannes en de bekendste symbolist Gustave Moreau verslijten hem wel degelijk voor een halve gare en weigeren mee te doen, maar hij weet toch ook een aantal klinkende namen samen te brengen.


Boglesas Biegas, Le Vampire glorieux

Behalve eerder genoemde Franse symbolisten ook de Belg Fernand Khnopff en de Nederlander Jan Toorop. Geheel naar het idee van het Gesamtkunstwerk organiseerde hij tijdens de Salon concerten (met werken van César Franck, Palestrina, Bach, Wagner en Satie), lezingen en ceremoniële bijeenkomsten. Het werd een evenement dat Le Tout Paris aantrok. Iedereen was er, ook degenen die deelname aan de exposities geweigerd  hadden. Dat Verlaine en Mallarmé zich er lieten zien was logisch, maar ook de moderne Zola liet zich  ontvangen door Joséphin die zich voor de gelegenheid nog excentrieker had uitgedost dan hij gewoon was. De eerste Salon in 1892 trok zoveel publiek dat het Parijse openbaar vervoer in de desbetreffende buurt moest worden omgeleid. Het fin de siècle gevoel als oorzaak van een verkeersopstopping; dat moet Joséphin in zijn vreemde soepjurk als een triomf zijn voorgekomen. In 1897 was de zesde en laatste Rozenkruiserssalon. Joséphin ‘gaf het op’, zoals hij zei. Die van het jaar daarvoor draagt de titel Les Peintres de l’Ame, de Schilders van de Ziel. In haar slaapkamer vervolgt Lucille Audouy haar route langs de schilderijen boven haar bed: aan het voeteneinde een gouache van Bourdelle onder de titel La Douleur du génie de Reims, De Smart van het Zinnebeeld van Reims waarin hij al zijn droefenis over de vernietiging in de Eerste Wereldoorlog van de kathedraal in Reims verbeeldt. Een vreemd schilderij, een soort geestesbezwering. Pas daarna zou hij weer in staat zijn om te creëren. Aan het hoofdeinde Dame met anemoon of Portret van Hélène Lindner, de muze en minnares van de schilder Armand Point die tot de grootste symbolisten wordt gerekend. Heleen in renaissancekleding, als een heilige, het haar met goud omgeven en op de achtergrond een hertenpaar als uitdrukking van liefde en schoonheid. Daarboven, geschilderd door Lucien Lévy-Dhurmer, de actrice Marguerite Moreno als non in het toneelstuk De Sluier van Georges Rodenbach en daarnaast nog weer een Armand Point, Princesse de Légende. Allemaal vrouwen, allemaal devoot, allemaal in staat van levitatie.

Het moet een raar gezicht zijn, binnenkort al die lege plekken op de muur, opper ik.Lucile Audouy antwoordt symbolistisch en heeft het over wat een ware verzamelaar moet zijn. Iemand die in alle eerlijkheid het beste bijeenbrengt en de kunstenaars doet kennen en waarderen. Hun werken onder de aandacht brengen. ‘Dat is wat ik doe. De expositie is al de hele wereld over geweest van Finland tot Japan. C’est le bonheur du partage, delen in vreugde.’

© Singer Laren