Tijdens de recente restauraties van enkele stillevenschilderijen van het Rijksmuseum is er onderzoek gedaan naar de schildertechniek. Hierbij werd gebruik gemaakt van beschrijvingen uit 17de-eeuwse schildershandboeken. Deze handboeken geven soms heel specifieke aanwijzingen om volumes in de ruimte te suggereren. Het gaat daarbij vooral om de observatie van licht en schaduw op ronde voorwerpen.

Door Arie Wallert : Eén van de moeilijkste voorwerpen waarbij dit soort observaties weergegeven konden worden, was een tros druiven. Toch was dit een populair onderwerp. De Haarlemse schilder Van Mander (1548-1606) schreef in 1604 over de bedrieglijke echtheid  daarmee kunstenaars in de oudheid allerlei voorwerpen konden schilderen. Hij vermeldde hierbij ook Plinius’ verhaal over de Griekse schilder Zeuxis, die druiven zó echt kon schilderen dat de vogels er naar kwamen pikken. In navolging van de klassieken werd dit als een uitdaging door de 17de-eeuwse schilders overgenomen. Trossen druiven, met hun veelheid aan lichten en schaduwen, hun verschillen in textuur, matte en glanzende oppervlakken, bieden de schilder de  kans om zijn vaardigheden in het schilderen van direct en indirect licht, en alle mogelijke halftonen te laten zien. Het moet om deze reden geweest zijn dat druiven en druiventrossen zo vaak op stillevens voorkomen: het bood de mogelijkheid om uitzonderlijke artistieke kwaliteiten te etaleren. Het werd zelfs zo’n vaststaand onderwerp op het repertoire van kunstenaars, dat het onder het lemma "Grappe" veelvuldig terugkeerde in de klassisistische kunstliteratuur. Naast het welbekende verhaal over Zeuxis is ook het verhaal van Titiaans vingeroefening met een tros druiven een hardnekkig terugkerend topos: "…om de partyen te doen verheffen, en verkiest den dag zo voordeelig, dat naar groote lichten gy groote schaduwen moogt vinden. Vandaar komt het, dat met reden gezegt wort van titiaan, dat hy geen beeter regel wist voor de verspreiding van zyn lichten en bruinen, als het bos Druiven […]dat verscheide naastbystaande partyen konnen verlicht wezen, verscheide beschaduwt, en de andere van gebrooke koleuren, om in de wegwyking te zyn; zo als in een druive tros verscheide druiven die de partyen uitmaken, zich bevinden in het licht, verschede in de schaduw, en de andere in de halve koleur (demi-teinte) om de wegwykende partyen te maken".


Pagina 382 uit R. de Piles Cours de Peinture
uitgegeven in Parijs in 1708. Het boek kwam in 1756
in Nederlandse vertaling uit in Amsterdam.


Kogels
De kern van het probleem wordt duidelijker wanneer we kijken naar de afbeelding van zo’n tros druiven in Roger de Pile’s Cours de Peinture. Druiven zijn daar afgebeeld als ronde kogeltjes. Nu is één enkel knikkertje vrij gemakkelijk te schilderen. De schilder hoeft slechts een cirkel te tekenen en die aan de kant waar het licht erop valt met een heldere, lichte kleur te beschilderen. Aan de kant waar het licht niet op valt, komt dan een donkerder schaduwtoon. Dan lijkt het  voorwerp al een beetje rond. Aan die schaduwkant is het bolletje, daar waar het de grond raakt wat lichter. Dit komt omdat iets van het licht dat op de grond valt tegen de beschaduwde onderkant van het balletje reflecteert. Bij het schilderen wordt dan de schaduw dus niet helemaal tot de uiterste rand van de getekende cirkel doorgetrokken, maar neemt juist aan die rand geleidelijk weer wat af. In de 17de eeuw was men zich al heel goed bewust van het effect van deze weerkaatsing: "Weerglans is wel eygentlijk een wederomkaetsing van het licht van alle verlichte dingen, maar in de konst noemen wy maer alleen reflexie of weerglans, de tweede verlichting, die in de schaduwe valt". Deze indruk van ruimtelijkheid die deze reflectie geeft, wordt nog overtuigender wanneer ook de slagschaduw die door het kogeltje op de grond daaronder valt, wordt weergegeven. Deze slagschaduw op de ondergrond is gewoonlijk donkerder van toon dan de schaduw van het kogeltje zelf. Dit kan natuurlijk nog eens extra worden benadrukt door het contrast dat ontstaat omdat de reflectie de eigen schaduw van het bolletje aan de randen wat lichter maakt. Door dit spel van schaduw en reflectie wordt het voor de kijker duidelijk dat er een verband bestaat tussen het voorwerp en zijn omgeving. Wanneer deze relatie niet wordt aangeduid ziet het beeld er vaak wat vreemd uit. Een mooi voorbeeld zijn de beroemde kruisbesjes van Adriaen Coorte. In dit schilderijtje heeft de schilder wel de slagschaduwen op het grondvlak, een stenen tafelblad, weergegeven. De volumes van de afzonderlijke balletjes zijn echter uitsluitend met behulp van de hoogste lichten aangeduid. De schaduwen en de reflecties die Roger de Pile’s balletje zo overtuigend maken, ontbreken bij de kruisbesjes volkomen. Hierdoor lijkt het net alsof de besjes niet op de tafel liggen maar er een beetje boven zweven. Een geoefende, professionele schilder zal dus altijd zorgen om zowel de hoge lichten als de schaduwen, de reflecties en de slagschaduwen weer te geven.


Adriaen Coorte (ca. 1660 - ca.1707)
Kruisbessen, 1701
The Cleveland Museum of Art. Nog t/m 19 september te zien op de
tentoonstelling Het Nederlandse Stilleven 1550-1720 in de Zuidvleugel.


Moeilijker wordt het echter wanneer het niet om één enkel kogeltje gaat maar om heel veel bij elkaar. En nog moeilijker wordt het wanneer deze kogeltjes niet allemaal netjes naast elkaar op het zelfde platte oppervlak liggen, maar als in een druiventros, onregelmatig voor en achter, boven en onder elkaar. Nu komen de slagschaduwen vaak over de lichtkanten van de achterliggende balletjes heen. Het betrekkelijk onbekende 18de-eeuwse schildershandboek van Dankers en Wiltschut verklaart hoe schilders dit probleem benaderden: "En als er veele dingen bij een liggen B.E. vrugten, dan moeten de schadijen der vruchten die naest den dagh liggen soo flauwe sijn dat sij bijne geen schadije en sijn en de lichten van de vruchten die in de schadijeliggen moeten soo weijnig sijn dat sij de schaduwe van den geheelen hoop niet en quellen, maer den geheelen hoop moet geconsidereert worden al oft maar een vrught en waer,
ende dit heeft plaets in figuren, boomen, blommen en in alle andere dingen die groepen oft hoopen konnen maeken" Dit betekent dat behalve de individuele druiven met hun schaduwen,
slagschaduwen en onderlinge reflecties, ook nog eens de gehele tros als een enkel object gezien moet worden waarop zich dit ingewikkelde spel van wederzijdse beïnvloedingen voltrekt.
Het is geen wonder dat het schilderen van een tros druiven werd gezien als de ultieme test voor het tonen van schilderkunstige vaardigheden. Ook als de schilder goed rekening hield met alle factoren die volgens de voorschriften van belang waren, was een overtuigend succes lang niet altijd verzekerd.



Voorschriften
Er waren nogal wat recepten voor het schilderen van druiventrossen. Welke verven zijn daar nu voor nodig? De 17de-eeuwse schilder Willem Beurs beschreef het allemaal heel uitvoerig: "De witte druiven worden aangelegt op den dag met engelse as, schijtgeel en wit: maar in de schaduwe moeten as, schijtgeel en swart het werk doen: maar de reflexie begeert maar een weing as: dog wat meerder schijtgeel". Tot zover is het recept begrijpelijk. Met de uitdrukking ‘dag’ bedoelde men de kant van het voorwerp waar het (dag)licht op valt. Dit moest dus geschilderd worden met een mengsel van Engelse as, schietgeel en wit. Engelse as is een wat bleek-blauw pigment. Dit tesamen met schietgeel, een organische kleurstof gemaakt uit de bessen van de vuilboom (Rhamnus cathartica L.), maakte een groen mengsel. Dit gemengd groen samen met gewoon wit kon inderdaad het wat blekige groen geven dat witte druiven wel eens hebben. Het gemengd groen met zwart geeft uiteraard een donkerder groen dat goed dienst kan doen voor de schaduwen. In het vervolg van het recept wordt echter nog een nieuw probleem geintroduceerd. Dit betreft de weergave van het wat matte, fluweel-achtige, wel wat stoffige oppervlak dat onaangeraakte druiven soms wel hebben. Behalve het probleem van volumes in de ruimte is er dus ook nog het probleem van stofuitdrukkking, de weergave van verschillende texturen.


Adriaen van Utrecht (1599-1652)
Stilleven, 1644
Rijksmuseum Amsterdam

Hoe toon je het verschil tussen het glimmend strakke oppervak van een gladgewreven druif en de matte poederigheid van de ‘dauw’? Omdat een dergelijk oppervlak een beetje doet lijken alsof de druif met meel bepoederd is, werd dit effect in Engelse receptenboeken wel aangeduid als ‘mealie colour’ Beurs noemt dit de dauw: "Als men de witte druiven dus verre in diervoegen geschildert heeft; zoo moet den dauw met ultramarijn en wit, of ook wel met wat lak vermengt in een witten  oly, diemen over de druiven schommelt, doen gebooren werden: dog om de dauw in de schaduwe te voorschijn te brengen, moet swart lak en wit gebezigt worden". Om dit effect te krijgen moest er dus met een blauwig verfmengsel over de bleek-groene eerste aanleg ‘geschommeld’ worden. Met de uitdrukking ‘schommelen’ wordt bedoeld dat er met een kwast met een enigszins droge verf heel vluchtig over het oppervlak van het doek of het paneel gescheerd wordt. Zo wordt de verf er niet vullend en dekkend op gesmeerd, maar raakt ze heel lichtjes het oppervlak van het paneel aan. Hierdoor blijft de verf, als stof, aan minuscule oneffenheden van dat oppervlak plakken. De onderliggende verflagen worden hierdoor dus niet helemaal afgedekt maar schemeren door de ‘geschommelde’ verf heen. Nu kon de schilder pas zijn aandacht schenken aan het oplossen van de reflecties: "Als dit alles nu dus verre vervaardigt is; zoo moet men de druiven op den dag (daar geen dauw op haar en is) glansen met wit, zagt verdreven en laxeerenze in de reflexie, met enkel schijtgeel of geele lak na gelegenheid". Nu is het bijna klaar. Beurs, met zijn gevoel voor realisme, vergeet echter niet om een belangrijk detail nog even onder de aandacht te brengen. De aanwezigheid van pitten in de druiven moeten hier en daar gesuggereerd worden: "Dog de karlen der druiven, die in de rijpe doorschijnen, hoedaanige men voornamentlijk schildert, moet men niet vergeeten zijn. Deeze doet men zien met onder de schijtgeel of lak ligten oker met wat as en wit te mengen, en tot de schaduwe, swart". De druiven op Adriean van Utrecht’s pronkstilleven laten heel mooi zien wat het resultaat van deze werkwijze kan zijn.Geheel volgens voorschriften hebben de druiven hun schaduwen reflecties, slagschaduwen en ‘dauw’ gekregen.

De presentatie van de stilleven-restauraties en het onderzoek daarbij (mogelijk gemaakt door Sara Lee/ DE).

Rijksmuseum Kunstkrant September/oktober 1999
© Rijksmuseum