Wijnfonteinen, koelvaten, schotels en kannen, kandelaars, snuifdozen, prijspennen, bekers en broodmanden. Het is maar een greep uit de grote en belangrijke collectie Amsterdams goud en zilver van het Rijksmuseum. Vanaf 11 december 2000 is de complete verzameling - zo’n 500 stukken - voor een keer tezamen tentoongesteld op de bovenverdieping. Een oogverblindend begin van het 200-jarig jubileum van het Rijksmuseum.


Jan Cornelisz Coster
Bodebus, 1548
zilver, gedeeltelijk verguld en geëmailleerd, rood koper
18,4 x 15,5 cm

door Marleen Dominicus-van Soest - Al vroeg in de 17de eeuw was Amsterdam het belangrijkste zilvercentrum van Nederland. Met een magnetische aantrekkingskracht op zilversmeden, die van heinde en ver naar de stad trokken om er hun geluk te beproeven. Onder hen vele Zuid-Nederlanders, later ook tal van buitenlanders. In de 17de eeuw waren dit meest Duitsers: Leendert Claesz en Johannes Lutma uit Emden; Michiel Esselbeek en Johannes en Anthony Grill uit Augsburg, toen een belangrijke zilverstad van Europa. In de 18de eeuw waren het vooral Franse Hugenoten en Scandinaviërs die zich in Amsterdam vestigden. Van hen zijn Louis Metayer en Johannes Schiotling wel de bekendsten. Zij allen droegen met hun vakkennis en eigen inbreng in belangrijke mate bij aan de ontwikkeling van de Amsterdamse edelsmeedkunst.



Onbekende meester
Zoutvat met opzetstuk, 1618
zilver, gedeeltelijk verguld
30,2 x 15,5 cm

Geld
De verzameling Amsterdams zilver is zeer gevarieerd. Er bleef veel bewaard. En dat is bijzonder,want veel zilverwerk uit vroeger eeuwen ging in de loop van de tijd verloren. Dat komt omdat zilver in eerste instantie geld is. Zilveren en ook gouden voorwerpen vertegenwoordigen een waarde in geld. Cadeaus die bij de geboorte van een kind geschonken werden, pillegiften, werden dan ook tevens als een appeltje voor de dorst gezien. In tijden van nood konden ze worden omgesmolten. Dat liet de Franse koning Lodewijk XIV bijvoorbeeld doen met de zilveren meubels van Versailles, om zo zijn oorlogen te betalen. Zilver kon ook in beslag genomen worden om de staatskas te vullen.Het was dus zaak dat het gehalte van het zilver goed was. De steden in Nederland hielden daar streng toezicht op. Al het zilver dat werd gemaakt werd door de keurmeester van het gilde van gouden zilversmeden gecontroleerd en van een stadskeur en jaarletter voorzien. Ook veranderingen van mode en smaak konden leiden tot het omsmelten van zilveren  voorwerpen. Wanneer een zilversmid opdracht kreeg iets te maken, was het gebruikelijk dat de klant oud zilver, soms ook munten inleverde. Maar eerst moesten de voorwerpen veertien dagen in een vitrine aan het publiek getoond worden. Het kon wel eens gestolen zijn.



Johannes Lutma
Kan behorend bij de schaal voor
Maarten Harpertsz Tromp, 1627
zilver
50,4 cm, diameter 17,2 cm


Pronk

Het oudste Amsterdamse zilver in de collectie dateert uit het midden van de 16de eeuw. In die tijd was Antwerpen de belangrijkste zilverstad van Nederland. Amsterdam liep in mode en smaak nog achter, maar dat veranderde snel. Het onderscheidingsteken van de Amsterdamse stadsbode, de bodebus uit 1548 was een eerste aanzet. Het is de randversiering met rolwerk, zo genoemd naar de omkrullende randen, die dit voorwerp op en top modieus maakte. De Amsterdamse zilversmid Coster (?-1561) maakte een heel eigen versie van dit renaissance-ornament dat in Antwerpen in de jaren veertig ontwikkeld was. Gedurfd is de opvallende versiering met saters, die met hun lijven de vorm van de lijst bepalen. Na 1585 zou Amsterdam de leiding van Antwerpen als centrum van edelsmeedkunst overnemen. In de 16de en 17de eeuw werden zilveren voorwerpen doorgaans voor speciale gelegenheden gemaakt. Veel opdrachten kwamen van de stedelijke overheid of van gildebesturen en van rijke burgers. Wie de opdrachtgever van het grote driehoekige zoutvat uit 1614 was is onbekend, evenals de maker. Zout was kostbaar, zoutvaten werden dan ook meestal zo rijk mogelijk vormgegeven. Het waren echte pronkstukken die op tafel de ereplaats kregen en waarop de tafelschikking van de gasten was afgestemd. Dit zoutvat met opzetstuk illustreert als geen ander die ceremoniële betekenis. Bovendien is het het enige Nederlandse voorbeeld dat compleet bewaard bleef. De stijl van het zoutvat is tamelijk ouderwets. De opstapeling van onderdelen is kenmerkend voor de tweede helft van de 16de eeuw, de Renaissance. Ook de meeste versieringen, zoals de fantasierijke steunen en de figuren vinden hun oorsprong in die tijd. Maar in de vloeiende vormgeving van maskers en kinderkopjes is al iets te bespeuren van de nieuwe stijl, die voor een belangrijk deel het gezicht van het Amsterdamse zilver in de 17de eeuw zou bepalen;de kwabstijl.


Alger Mensma, reliëf
Jan Lanckhorst
Fontein, 1732
zilver
51,2 cm, diam. 27,2 cm