Kunstpedia - http://www.kunstpedia.com
Oogverblindend
http://www.kunstpedia.com/articles/298/1/Oogverblindend/Page1.html
Rijksmuseum Amsterdam
The Rijksmuseum Amsterdam, owned by the state, is the largest and most important art and historical museum of the Netherlands. The museum owns major works of Rembrandt van Rijn and counts more than 1 million objects in its collections.

Het Rijksmuseum Amsterdam is het grootste en belangrijkste kunst- en geschiedkundige Rijksmuseum van Nederland en is eigendom van de staat. Het bevat onder meer topstukken van de kunstschilder Rembrandt van Rijn en telt ruim 1 miljoen voorwerpen in zijn collectie.

Rijksmuseum
Jan Luijkenstraat 1
Amsterdam
t. 020-6747000
www.rijksmuseum.nl

 
By Rijksmuseum Amsterdam
Published on 16 May 2008
 
Al vroeg in de 17de eeuw was Amsterdam het belangrijkste zilvercentrum van Nederland. Met een magnetische aantrekkingskracht op zilversmeden, die van heinde en ver naar de stad trokken om er hun geluk te beproeven. Onder hen vele Zuid-Nederlanders, later ook tal van buitenlanders. In de 17de eeuw waren dit meest Duitsers: Leendert Claesz en Johannes Lutma uit Emden; Michiel Esselbeek en Johannes en Anthony Grill uit Augsburg, toen een belangrijke zilverstad van Europa. In de 18de eeuw waren het vooral Franse Hugenoten en Scandinaviërs die zich in Amsterdam vestigden. Van hen zijn Louis Metayer en Johannes Schiotling wel de bekendsten. Zij allen droegen met hun vakkennis en eigen inbreng in belangrijke mate bij aan de ontwikkeling van de Amsterdamse edelsmeedkunst.

Amsterdams zilver in het Rijksmuseum - door Marleen Dominicus-van Soest
Wijnfonteinen, koelvaten, schotels en kannen, kandelaars, snuifdozen, prijspennen, bekers en broodmanden. Het is maar een greep uit de grote en belangrijke collectie Amsterdams goud en zilver van het Rijksmuseum. Vanaf 11 december 2000 is de complete verzameling - zo’n 500 stukken - voor een keer tezamen tentoongesteld op de bovenverdieping. Een oogverblindend begin van het 200-jarig jubileum van het Rijksmuseum.


Jan Cornelisz Coster
Bodebus, 1548
zilver, gedeeltelijk verguld en geëmailleerd, rood koper
18,4 x 15,5 cm

door Marleen Dominicus-van Soest - Al vroeg in de 17de eeuw was Amsterdam het belangrijkste zilvercentrum van Nederland. Met een magnetische aantrekkingskracht op zilversmeden, die van heinde en ver naar de stad trokken om er hun geluk te beproeven. Onder hen vele Zuid-Nederlanders, later ook tal van buitenlanders. In de 17de eeuw waren dit meest Duitsers: Leendert Claesz en Johannes Lutma uit Emden; Michiel Esselbeek en Johannes en Anthony Grill uit Augsburg, toen een belangrijke zilverstad van Europa. In de 18de eeuw waren het vooral Franse Hugenoten en Scandinaviërs die zich in Amsterdam vestigden. Van hen zijn Louis Metayer en Johannes Schiotling wel de bekendsten. Zij allen droegen met hun vakkennis en eigen inbreng in belangrijke mate bij aan de ontwikkeling van de Amsterdamse edelsmeedkunst.



Onbekende meester
Zoutvat met opzetstuk, 1618
zilver, gedeeltelijk verguld
30,2 x 15,5 cm

Geld
De verzameling Amsterdams zilver is zeer gevarieerd. Er bleef veel bewaard. En dat is bijzonder,want veel zilverwerk uit vroeger eeuwen ging in de loop van de tijd verloren. Dat komt omdat zilver in eerste instantie geld is. Zilveren en ook gouden voorwerpen vertegenwoordigen een waarde in geld. Cadeaus die bij de geboorte van een kind geschonken werden, pillegiften, werden dan ook tevens als een appeltje voor de dorst gezien. In tijden van nood konden ze worden omgesmolten. Dat liet de Franse koning Lodewijk XIV bijvoorbeeld doen met de zilveren meubels van Versailles, om zo zijn oorlogen te betalen. Zilver kon ook in beslag genomen worden om de staatskas te vullen.Het was dus zaak dat het gehalte van het zilver goed was. De steden in Nederland hielden daar streng toezicht op. Al het zilver dat werd gemaakt werd door de keurmeester van het gilde van gouden zilversmeden gecontroleerd en van een stadskeur en jaarletter voorzien. Ook veranderingen van mode en smaak konden leiden tot het omsmelten van zilveren  voorwerpen. Wanneer een zilversmid opdracht kreeg iets te maken, was het gebruikelijk dat de klant oud zilver, soms ook munten inleverde. Maar eerst moesten de voorwerpen veertien dagen in een vitrine aan het publiek getoond worden. Het kon wel eens gestolen zijn.



Johannes Lutma
Kan behorend bij de schaal voor
Maarten Harpertsz Tromp, 1627
zilver
50,4 cm, diameter 17,2 cm


Pronk

Het oudste Amsterdamse zilver in de collectie dateert uit het midden van de 16de eeuw. In die tijd was Antwerpen de belangrijkste zilverstad van Nederland. Amsterdam liep in mode en smaak nog achter, maar dat veranderde snel. Het onderscheidingsteken van de Amsterdamse stadsbode, de bodebus uit 1548 was een eerste aanzet. Het is de randversiering met rolwerk, zo genoemd naar de omkrullende randen, die dit voorwerp op en top modieus maakte. De Amsterdamse zilversmid Coster (?-1561) maakte een heel eigen versie van dit renaissance-ornament dat in Antwerpen in de jaren veertig ontwikkeld was. Gedurfd is de opvallende versiering met saters, die met hun lijven de vorm van de lijst bepalen. Na 1585 zou Amsterdam de leiding van Antwerpen als centrum van edelsmeedkunst overnemen. In de 16de en 17de eeuw werden zilveren voorwerpen doorgaans voor speciale gelegenheden gemaakt. Veel opdrachten kwamen van de stedelijke overheid of van gildebesturen en van rijke burgers. Wie de opdrachtgever van het grote driehoekige zoutvat uit 1614 was is onbekend, evenals de maker. Zout was kostbaar, zoutvaten werden dan ook meestal zo rijk mogelijk vormgegeven. Het waren echte pronkstukken die op tafel de ereplaats kregen en waarop de tafelschikking van de gasten was afgestemd. Dit zoutvat met opzetstuk illustreert als geen ander die ceremoniële betekenis. Bovendien is het het enige Nederlandse voorbeeld dat compleet bewaard bleef. De stijl van het zoutvat is tamelijk ouderwets. De opstapeling van onderdelen is kenmerkend voor de tweede helft van de 16de eeuw, de Renaissance. Ook de meeste versieringen, zoals de fantasierijke steunen en de figuren vinden hun oorsprong in die tijd. Maar in de vloeiende vormgeving van maskers en kinderkopjes is al iets te bespeuren van de nieuwe stijl, die voor een belangrijk deel het gezicht van het Amsterdamse zilver in de 17de eeuw zou bepalen;de kwabstijl.


Alger Mensma, reliëf
Jan Lanckhorst
Fontein, 1732
zilver
51,2 cm, diam. 27,2 cm



Amsterdams zilver in het Rijksmuseum - door Marleen Dominicus-van Soest

Johannes Lutma
Zoutvat (één van een stel), 1639
zilver, gedeeltelijk verguld
24,2 x 12 cm


Kwabstijl

De kwabstijl kenmerkt zich door een vloeiende, antiklassieke vormgeving die uitgaat van aan de natuur ontleende elementen. Het doet nog het meest denken aan week, kwabbig vlees. In de 17de eeuw werden het ‘fratsen en snaekerijen’ genoemd. Het waren de beroemde zilversmeden Paulus en Adam van Vianen die de stijl in het begin van de 17de eeuw introduceerden. Maar het was de Amsterdamse meester Johannes Lutma (1587-1669) die de weelderige stijl een monumentaal aanzien verleende. Zijn zoutvaten in de vorm van jongetjes op dolfijnen waren in de 17de eeuw al beroemd. Ze zijn een hoogtepunt in zijn oeuvre en met één liet hij zich trots portretteren. Lutma paste in de zoutvaten twee techieken toe. De schelpvorm van het bakje werd in het zilver gehamerd, gedreven. Voet en stam zijn daarentegen gegoten. Hier was Lutma, de beeldhouwer, aan het werk. Gieten was bovendien economisch. Zo konden meer voorwerpen en verschillende combinaties worden geproduceerd. Nog ambitieuzer zijn de uitbundig met zeewezens gedecoreerde kan en schaal uit 1647 die Lutma maakte als herinnering aan een wapenfeit van admiraal Maarten Harpertsz Tromp. Zijn meesterschap komt vooral tot uitdrukking in de subtiele weergave van de verschillende huidsoorten.


Johannes Schiotling
Kandelaber (één van een stel), 1772
zilver
35,7 x 37,5 cm, diam. voet 13,6 cm


Welvaart
Was het 17de-eeuws zilver meest gelegenheidszilver, in de 18de eeuw veranderde dat. Met het stijgenstijgen van de welvaart konden steeds meer mensen zich een zekere luxe permitteren, terwijl ook smaak en gewoontes veranderden. De voorwerpen werden groter en er was veel vraag naar nieuwe producten. In de voorafgaande periode sierden slechts pronkstukken als zoutvaten, schalen, een mes of lepel de tafels, nu werden hele serviezen in zilver uitgevoerd en samen met het tafelbestek op het buffet in de eetkamer tentoongesteld. De grote kracht van de Amsterdamse edelsmeedkunst waren de diverse specialismen. Naast grootwerkers waren er kleinwerkers die zich toelegden op klein zilver, kleine voorwerpen als kledingaccessoires, rook- en naaigerei, prijspennen, makelaarsstokjes. Een typisch Amsterdams specialisme was het poppegoed, miniatuur speelgoed. Het was zeer geliefd bij verzamelaarsters. Ook het maken van tafelbestek was een specialisme. Grote en belangrijke orders werden soms door meerdere bedrijven uitgevoerd. Ook taken konden worden verdeeld. Zo waren het koelvat en de bijbehorende fontein uit 1731-1732 het resultaat van een goede samenwerking tussen twee kunstenaars. Jan Lanckhorst (1668-1744) ontwierp de reliëfs, Alger Mensma (1682- na 1757) vervaardigde de prestigieuze voorwerpen in de toen modieuze Lodewijk XIV-stijl. Typisch Amsterdams is de gladde vormgeving en de opgelegde versieringen. De welvaart is ook te zien in het enorme assortiment zilveren gebruiksgoed dat er in de 18de eeuw in Nederland werd geproduceerd. Niet alleen serviezen en alle mogelijke toebehoren, maar ook allerlei rook- en toiletbenodigdheden. Zelfs po’s zijn in zilver uitgevoerd. De voorwerpen werden steeds vormgegeven in de modieuze stijl van de tijd. Bijzonder is de ronde savonet- of zeepdoos uit 1753 van Reynier Brandt. De versiering met elegante C- en S-vormen is kenmerkend voor de Lodewijk XV-stijl. De doos, waarin een bolletje scheerzeep (savonet) werd bewaard, maakte deel uit van een zogenoemd ‘nat’ servies voor mannen. Dat kon een scheerserviesje zijn of een uitgebreid toiletservies.


Jacobus Carrenhof (1771-1848)
voor Fa. Diemont
Koffiefilterkan, 1816
zilver, been
29,5 cm, diam. 11,2 cm



Nieuwe bloei
Met de komst in 1762 van de Zweedse zilversmid Johannes Schiotling brak er een nieuwe bloeiperiode aan van het Amsterdamse zilver die zou voortduren tot in de vroege 19de eeuw. Hij was één van de belangrijkste zilversmeden met achter zich een groot atelier met vaklieden die de hoogste kwaliteit werk leverden. Schiotling introduceerde als eerste een op de klassieke oudheid geïnspireerde stijl die bekend staat als de Lodewijk XVI-stijl. Beter is het om van neoclassicisme te spreken, want de meeste impulsen kwamen vanuit Engeland. Schiotlings kandelabers uit 1772 behoren tot de vroegste en tevens mooiste Amsterdamse zilverwerken in deze stijl. Ze zijn vormgegeven in een zuiver neoclassicisme. De Corinthische zuil met zijn rijkversierde kapiteel was Schiotlings inspiratiebron. Origineel is de toepassing van het acanthusblad op zowel de armen als de kaarsenhouders. Typisch Amsterdams De pure vormgeving die Schiotlings werk zo eigen is bleek een aanzet voor de typisch Amsterdamse stijl die aangeduid wordt met ‘empire’. Een streng classicistische stijl, waarvan de wortels eveneens in Engeland lagen. Kenmerkend zijn een uiterst sobere, gladde, dikwijls functionele vormgeving, spitsovale en hoge modellen en zwarte houten oren en knoppen. De decoraties zijn ronduit simpel: horizontale groeven, filetranden genoemd, en parelrandjes. Typisch voor dit Amsterdamse zilver is bijvoorbeeld een stel koekdozen, een rechthoekige voor oublies en een ronde voor beschuiten. Simpele ontwerpen, volkomen glad en alleen langs de rand versierd. Maar het mooiste voorbeeld is wel de uiterst strakke, uit geometrische vormen opgebouwde koffiefilterkan die Jacobus Carrenhof in 1816 voor de firma Diemont maakte. Op enkele filetranden na is de kan onversierd. De kan moet succesvol zijn geweest, want er werden enkele nagenoeg identieke exemplaren gemaakt. Met de liefde voor onversierd zilver greep Amsterdam vooruit op het functionalisme van de 20ste eeuw. De Amsterdamse versie van de Art Nouveau, vertegenwoordigd door het zilveren theeserviesje van Jan Eisenloeffel (1876-1957) uit 1903 was met zijn sobere vormen en gestileerde decoraties een eerste aanzet.


Reynier Brandt
Zeepdoos, 1753
zilver, gedeeltelijk verguld
7,5 cm, diam. 7 cm



Rijksmuseum Kunstkrant November/December 1999
© Rijksmuseum Amsterdam