Johannes Lutma
Zoutvat (één van een stel), 1639
zilver, gedeeltelijk verguld
24,2 x 12 cm


Kwabstijl

De kwabstijl kenmerkt zich door een vloeiende, antiklassieke vormgeving die uitgaat van aan de natuur ontleende elementen. Het doet nog het meest denken aan week, kwabbig vlees. In de 17de eeuw werden het ‘fratsen en snaekerijen’ genoemd. Het waren de beroemde zilversmeden Paulus en Adam van Vianen die de stijl in het begin van de 17de eeuw introduceerden. Maar het was de Amsterdamse meester Johannes Lutma (1587-1669) die de weelderige stijl een monumentaal aanzien verleende. Zijn zoutvaten in de vorm van jongetjes op dolfijnen waren in de 17de eeuw al beroemd. Ze zijn een hoogtepunt in zijn oeuvre en met één liet hij zich trots portretteren. Lutma paste in de zoutvaten twee techieken toe. De schelpvorm van het bakje werd in het zilver gehamerd, gedreven. Voet en stam zijn daarentegen gegoten. Hier was Lutma, de beeldhouwer, aan het werk. Gieten was bovendien economisch. Zo konden meer voorwerpen en verschillende combinaties worden geproduceerd. Nog ambitieuzer zijn de uitbundig met zeewezens gedecoreerde kan en schaal uit 1647 die Lutma maakte als herinnering aan een wapenfeit van admiraal Maarten Harpertsz Tromp. Zijn meesterschap komt vooral tot uitdrukking in de subtiele weergave van de verschillende huidsoorten.


Johannes Schiotling
Kandelaber (één van een stel), 1772
zilver
35,7 x 37,5 cm, diam. voet 13,6 cm


Welvaart
Was het 17de-eeuws zilver meest gelegenheidszilver, in de 18de eeuw veranderde dat. Met het stijgenstijgen van de welvaart konden steeds meer mensen zich een zekere luxe permitteren, terwijl ook smaak en gewoontes veranderden. De voorwerpen werden groter en er was veel vraag naar nieuwe producten. In de voorafgaande periode sierden slechts pronkstukken als zoutvaten, schalen, een mes of lepel de tafels, nu werden hele serviezen in zilver uitgevoerd en samen met het tafelbestek op het buffet in de eetkamer tentoongesteld. De grote kracht van de Amsterdamse edelsmeedkunst waren de diverse specialismen. Naast grootwerkers waren er kleinwerkers die zich toelegden op klein zilver, kleine voorwerpen als kledingaccessoires, rook- en naaigerei, prijspennen, makelaarsstokjes. Een typisch Amsterdams specialisme was het poppegoed, miniatuur speelgoed. Het was zeer geliefd bij verzamelaarsters. Ook het maken van tafelbestek was een specialisme. Grote en belangrijke orders werden soms door meerdere bedrijven uitgevoerd. Ook taken konden worden verdeeld. Zo waren het koelvat en de bijbehorende fontein uit 1731-1732 het resultaat van een goede samenwerking tussen twee kunstenaars. Jan Lanckhorst (1668-1744) ontwierp de reliëfs, Alger Mensma (1682- na 1757) vervaardigde de prestigieuze voorwerpen in de toen modieuze Lodewijk XIV-stijl. Typisch Amsterdams is de gladde vormgeving en de opgelegde versieringen. De welvaart is ook te zien in het enorme assortiment zilveren gebruiksgoed dat er in de 18de eeuw in Nederland werd geproduceerd. Niet alleen serviezen en alle mogelijke toebehoren, maar ook allerlei rook- en toiletbenodigdheden. Zelfs po’s zijn in zilver uitgevoerd. De voorwerpen werden steeds vormgegeven in de modieuze stijl van de tijd. Bijzonder is de ronde savonet- of zeepdoos uit 1753 van Reynier Brandt. De versiering met elegante C- en S-vormen is kenmerkend voor de Lodewijk XV-stijl. De doos, waarin een bolletje scheerzeep (savonet) werd bewaard, maakte deel uit van een zogenoemd ‘nat’ servies voor mannen. Dat kon een scheerserviesje zijn of een uitgebreid toiletservies.


Jacobus Carrenhof (1771-1848)
voor Fa. Diemont
Koffiefilterkan, 1816
zilver, been
29,5 cm, diam. 11,2 cm



Nieuwe bloei
Met de komst in 1762 van de Zweedse zilversmid Johannes Schiotling brak er een nieuwe bloeiperiode aan van het Amsterdamse zilver die zou voortduren tot in de vroege 19de eeuw. Hij was één van de belangrijkste zilversmeden met achter zich een groot atelier met vaklieden die de hoogste kwaliteit werk leverden. Schiotling introduceerde als eerste een op de klassieke oudheid geïnspireerde stijl die bekend staat als de Lodewijk XVI-stijl. Beter is het om van neoclassicisme te spreken, want de meeste impulsen kwamen vanuit Engeland. Schiotlings kandelabers uit 1772 behoren tot de vroegste en tevens mooiste Amsterdamse zilverwerken in deze stijl. Ze zijn vormgegeven in een zuiver neoclassicisme. De Corinthische zuil met zijn rijkversierde kapiteel was Schiotlings inspiratiebron. Origineel is de toepassing van het acanthusblad op zowel de armen als de kaarsenhouders. Typisch Amsterdams De pure vormgeving die Schiotlings werk zo eigen is bleek een aanzet voor de typisch Amsterdamse stijl die aangeduid wordt met ‘empire’. Een streng classicistische stijl, waarvan de wortels eveneens in Engeland lagen. Kenmerkend zijn een uiterst sobere, gladde, dikwijls functionele vormgeving, spitsovale en hoge modellen en zwarte houten oren en knoppen. De decoraties zijn ronduit simpel: horizontale groeven, filetranden genoemd, en parelrandjes. Typisch voor dit Amsterdamse zilver is bijvoorbeeld een stel koekdozen, een rechthoekige voor oublies en een ronde voor beschuiten. Simpele ontwerpen, volkomen glad en alleen langs de rand versierd. Maar het mooiste voorbeeld is wel de uiterst strakke, uit geometrische vormen opgebouwde koffiefilterkan die Jacobus Carrenhof in 1816 voor de firma Diemont maakte. Op enkele filetranden na is de kan onversierd. De kan moet succesvol zijn geweest, want er werden enkele nagenoeg identieke exemplaren gemaakt. Met de liefde voor onversierd zilver greep Amsterdam vooruit op het functionalisme van de 20ste eeuw. De Amsterdamse versie van de Art Nouveau, vertegenwoordigd door het zilveren theeserviesje van Jan Eisenloeffel (1876-1957) uit 1903 was met zijn sobere vormen en gestileerde decoraties een eerste aanzet.


Reynier Brandt
Zeepdoos, 1753
zilver, gedeeltelijk verguld
7,5 cm, diam. 7 cm



Rijksmuseum Kunstkrant November/December 1999
© Rijksmuseum Amsterdam