Italië, met zijn Romeinse oudheden, de kunst van de Renaissance en het zonovergoten landschap, werkt al vanaf de 16de eeuw als een magneet op kunstenaars uit het noorden. Voor een groep Nederlandse schilders, tekenaars en etsers uit de 17de eeuw was Italië zo belangrijk dat zij de geschiedenis ingingen als de ‘italianisanten’. Het werk van deze italianisanten staat tot 30 september 2001 centraal in het prentenkabinet van het museum. Ruim 100 tekeningen, zowel uit de eigen verzameling als uit binnen- en buitenlandse collecties, tonen Italiaanse motieven en zuidelijke landschappen in zinderend licht. Even is het vakantiegevoel heel nabij.


Herman van Swanevelt
Porta Pinciana te Rome
Penseel in bruin over sporen van zwart krijt of grafiet
Amsterdam, Rijksmuseum, Rijksprentenkabinet

Door Judikje Kiers - De reis naar het zuiden was zo’n 350 jaar geleden van een andere orde dan de hedendaagse vakantietrip. Italië-gangers waren soms jaren weg van huis en hun tocht naar het zuiden was niet zonder gevaar. Op de Noordzee en op de Middellandse Zee maakten kapers de kust onveilig en tijdens het reizen over land was het soms moeilijk om paarden, een schuit en redelijk onderdak te vinden. De reis werd dan ook meestal in groepsverband gemaakt. Onderweg werd de reiziger geconfronteerd met formaliteiten: een paspoort was een noodzakelijk document, evenals een certificaat van gezondheid. Er waren strenge grens- en poortcontroles. De kunstenaars konden verschillende routes naar Italië nemen. Een liep door Duitsland langs de Rijn naar Bazel en dan via de Alpen naar Milaan, of door Oostenrijk via Innsbruck naar Noord-Italië en Venetië. De derde route door Frankrijk werd gekozen door bijna alle kunstenaars die in de tentoonstelling voorkomen. Van een aantal kunstenaars weten we dat ze daar zijn geweest en er hebben gewerkt, zoals Jan Asselijn. De reis naar het zuiden ging langs de Loire en dan verder naar Lyon. Van Zuid-Frankrijk kon de reis verder gaan door de bergen, langs de kust of per schip van Marseille naar Genua, Livorno en Civitavecchia. Van enkele kunstenaars, zoals Cornelis Poelenburch en Jan Asselijn, weten we dat ze in Florence waren, anderen zullen daar op de heen- of terugweg ook zijn geweest, evenals in Siena. Rome was de plaats waar het tenslotte om te doen was en alle italianisanten zullen er zijn geweest, al is niet van allen het verblijf gedocumenteerd. In Rome schreven de kunstenaars zich, net als andere vreemdelingen die zich op de arbeidsmarkt begaven, in bij bestaande beroepsorganisaties. Voor de schilders waren dat de Accademia Romana di Belle Arti en de Congregazione di San Luca. Ook werden ze vrijwel allemaal lid van de Nederlandse kunstenaarsvereniging De Bentvueghels. De leden ontmoetten elkaar in herbergen en hielden gezamenlijke maaltijden, drinkgelagen en inwijdingsfeesten. Na het vaak ludieke inwijdingsritueel kreeg de kunstenaar een nieuwe naam. Deze ‘bentnaam’ verwees naar zijn persoonlijkheid, werk, gedrag of eigenaardigheid. Zo kreeg Herman van Swanevelt de bijnaam Heremiet - vanwege zijn teruggetrokken bestaan - en werd Jan Asselijn Crabbetje genoemd, vanwege een misvormde hand.


Bartholomeus Breenbergh
Het Forum van Augustus
Zwart krijt, pen in bruin, penseel in bruin
Wenen, Graphische Sammlung Albertina

Romeinse monumenten
Eenmaal aan het werk in Rome concentreerden veel kunstenaars zich op de Romeinse  monumenten. Het Forum Romanum is door velen vereeuwigd. Jan Asselijn tekende er onder meer de boog van Titus, waarbij hij alle aandacht schonk aan een van de reliëfs tegen de zijwanden van de doorgang; de overige delen duidde hij globaal aan. De boog van Titus werd opgericht in 70 na Christus, nadat Vespasianus en zijn zoon Titus Jeruzalem hadden verwoest. Op het reliëf zien we Titus in triomf op een zegewagen die voortgetrokken wordt door paarden. Asselijn maakte de tekening waarschijnlijk ter plekke, naar het leven. Ook de tekening van de Porta Pinciana van Herman van Swanevelt is naar de natuur gemaakt. Deze poort, gebouwd in 403, vormt de afsluiting van de Via Veneto. De stijl waarin Van Swanevelt - de Heremiet - werkte is in de trant van Cornelis Poelenburch en Bartholomeus Breenbergh. De poort zette Van Swanevelt met brede penseelstreken en grote contrasten op papier. De struiken rechts, met losse penseelstreken neergezet, versterken het gevoel van diepte in de tekening.


Cornelis Poelenburch
Ruïne van het zogenaamde Palazzo Maggiore op de Palatijn
Pen en penseel in bruin over sporen van zwart krijt of grafiet
Amsterdam, Rijksmuseum, Rijksprentenkabinet

Een nieuwe stijl
Omstreeks 1620 hadden Cornelis Poelenburch en Bartholomeus Breenbergh in Rome een nieuwe, suggestieve, bijna ‘impressionistische’ manier van weergeven ontwikkeld. In een contrastrijke, vrije techniek tekenden zij zonovergoten voorstellingen naar de natuur en lieten het wit van het papier als sterke lichtbron fungeren. In die stijl gaf Breenbergh het Forum van Augustus weer en Poelenburch een ruïne op de Palatijn, een van de zeven heuvels waarop Rome is gebouwd. Maar de kunstenaars bleven niet alleen in de stad. Ze trokken ook naar buiten, naar Tivoli bijvoorbeeld, zo’n 30 km ten noordoosten van Rome en al sinds de Romeinse tijd een geliefd vakantieoord. Nog steeds zijn er watervallen, grotten, Romeinse tempels en villa’s te zien. Poelenburch tekende er het tempeltje van de Sibylle, een waarzegster. De tekening (zie voorpagina) is gemaakt op een van de 44 bladen uit een voormalig schetsboek met tekeningen in rood krijt. Het schetsboek is een van de weinige die uit de 17de eeuw bewaard zijn gebleven. Cornelis van Poelenburch gaf op zijn karakteristieke manier de contouren van de bomen met kleine streepjes weer; de heuvelrand zette hij met één enkele lijn is neer.


Nicolaes Berchem
Gezicht in de ruïnes van het Colosseum
Grafiet, pen in bruin, penseel in bruin en grijsbruin Amsterdam, Rijksmuseum, Rijksprentenkabinet

Thuisblijvers
Enkele tekenaars reisden nooit naar Italië. Zij baseerden zich op werk van anderen maar gaven
het zuidelijke licht weer alsof ze het met eigen ogen zagen. In de tentoonstelling wordt hun werk getoond temidden van tekeningen die in Italië zijn gemaakt én tekeningen die later in het atelier ontstonden, al is het verschil tussen die laatste twee niet altijd met zekerheid vast te stellen. De Haarlemmer Nicolaes Berchem baseerde zijn kennis van Italië onder meer op het werk van Jan Asselijn. Voor zijn indrukwekkende tekening van het Colosseum bestudeerde hij prenten en tekeningen die er van dat beroemde amfitheater (uit 72 na Christus) in omloop waren. De tekening toont twee tekenaars die links op de grond zitten te tekenen, een herder met geiten, en rechts twee vrouwen die was uitwringen bij een beekje. Deze onwaarschijnlijke combinatie geeft aan dat Berchem de situatie ter plekke niet kende. Het werk van deze meester maakt duidelijk dat niet iedereen naar Italië hoeft te reizen om italianisant te zijn. Een retourtje prentenkabinet kan mogelijk al voldoende inspiratie bieden.

Rijksmuseum Kunstkrant juli / augustus 2001
© Rijksmuseum Amsterdam