- Home
- Textiles, Carpets and Tapestries
- A la Mode - achttiende-eeuwse kostuums in Nederland
A la Mode - achttiende-eeuwse kostuums in Nederland
- By Rijksmuseum Amsterdam
- Published 25 May 2008
- Textiles, Carpets and Tapestries
- Unrated
Rijksmuseum Amsterdam
The Rijksmuseum Amsterdam, owned by the state, is the largest and most
important art and historical museum of the Netherlands. The museum owns
major works of Rembrandt van Rijn and counts more than 1 million
objects in its collections.
Het Rijksmuseum Amsterdam is het grootste en belangrijkste kunst- en geschiedkundige Rijksmuseum van Nederland en is eigendom van de staat. Het bevat onder meer topstukken van de kunstschilder Rembrandt van Rijn en telt ruim 1 miljoen voorwerpen in zijn collectie.
Rijksmuseum
Jan Luijkenstraat 1
Amsterdam
t. 020-6747000
www.rijksmuseum.nl
door Bianca M. du Mortier
door Bianca M. du Mortier - Op het eerste gezicht lijken de kleren, die onze achttiende-eeuwse voorouders droegen voor ons ‘vreemd’ en ‘onlogisch’, maar wanneer we deze mode in een historische context plaatsen blijkt het een en ander echter als vanzelfsprekend uit elkaar te volgen. Aan het begin van de 18de eeuw werd het laatzeventiende- eeuwse strenge, verticale en nauwsluitende silhouet verlaten voor een soepel vallende, wijde lijn. De robe volant of sac, zoals hij in ons land werd genoemd, was oorspronkelijk bedoeld als deshabillé of informele dracht maar zou al snel aan terrein winnen buiten het boudoir. Hij bestond uit drie delen: een openvallende, enkellange japon met halflange mouwen en een stelsel van platte plooien op de rug; een driehoekig borststuk of devant-de-gorge (dat letterlijk ‘vóór de borst’ betekent) en een rok. Deze driedelige samenstelling van een japon zou de gehele 18de eeuw gehandhaafd blijven en pas na de Franse Revolutie plaats maken voor japonnen uit één stuk.

F. van der Mijn
Machteld Muilman (1717/8-73), tweede echtgenote van
Jan Pranger, directeur-generaal van de Goudkust
Amsterdam, Rijksmuseum.
Onder de sac werd een nauwsluitend korset en een ronde hoepelrok gedragen. Het puntige korset van linnen of grein was verstevigd met verticaal ingenaaide baleinen van metaal, hout of walvisbalein, die het vrijwel onbuigzaam maakten. De buitenkant kon ter versiering bekleed worden met zijde, terwijl men aan de binnenkant voor horizontale hoepels van walvisbalein, riet of bamboe waren genaaid, gaf het benodigde volume. Daarnaast zorgde hij tijdens het lopen voor een schommelende beweging van de rok en door deze onbedoelde en frivole bijkomstigheid (enkels werden als zeer erotisch ervaren) kreeg het volumineuze silhouet toch nog enige levendigheid.

Aankleden
Het aankleden was bepaald geen sinecure! Eerst een lang linnen hemd (dat overigens ook vaak dienst deed als onderbroek) en dan het korset, dat alleen met hulp aangetrokken kon worden. Dan één of meerdere onderrokken van verschillend materiaal (zijde, linnen of tijk al dan niet geborduurd, doorgestikt of gewatteerd) waarover de hoepelrok hing. De zijden of wollen kousen werden door kousenbanden opgehouden. Nadat men dit alles had aangetrokken, volgde de rok die over het hoofd werd aangedaan. Hierna werd de overjapon aangetrokken en de veters van het linnen binnenlijfje gesteld, zodat de plooien op de rug mooi recht en strak vielen. Uiteindelijk kwam nog een ingewikkelde handeling waarbij hulp onontbeerlijk was: het losse borststuk moest met spelden aan het lijf van de japon en op het korset worden gespeld. In de meeste japonnen bevond zich een extra linnen strook, die speciaal bedoeld was voor dit vastspelden. Toentertijd waren kopspelden namelijk nog niet zo dun als tegenwoordig en zou men bij herhaald gebruik de stof van de japon hebben beschadigd. Al met al een tijdrovende procedure, die meerdere malen per dag werd herhaald omdat men zich voor de verschillende tijdstippen op de dag en gelegenheden anders diende te kleden. Uiteraard kon alleen de bovenste laag van de bevolking zich deze luxe permitteren.

Vanaf 1730 zette een nieuwe ontwikkeling in: de rugplooien werden steeds vaker vastgezet en langzamerhand kregen de japonnen een nauwsluitender taille. Tegelijkertijd veranderde de hoepelrok van een ronde vorm naar een langgerekte ovaal, die aan weerskanten breed uitstond. Toen de schrijver Justus van Effen voor het eerst een dame met een dergelijke hoepelrok of panier zag, dacht hij ‘dat het een menschelijke gestalte was, die zig op een klein paard tusschen twee keteltrommen met tot op den grond afhangende kleederen verhefte.’ Iemand uit zijn gezelschap hielp hem echter uit de droom en vertelde, dat het de allernieuwste Franse mode was die ‘karvars’ uit Parijs was meegebracht.

N. Muys
De graveur Robert Muys (1742-1825) en zijn
echtgenote Maria Nozeman, Rijksmuseum Amsterdam
Veel van de mode impulsen in ons land kwamen uit Frankrijk of waren een afgeleide van de mode, die in Parijs werd geïntroduceerd. Reizigers brachten de állernieuwste kledingstukken en stoffen mee, maar hier te lande kon men in de steden bij de ‘Franse kramerijen’ (winkels die luxe artikelen als waaiers, zijden stoffen, kant, handschoenen e.d. verkochten) terecht voor de laatste snufjes. Kleermakers, naaisters en vooraanstaande dames waren niet alleen geabonneerd op modetijdschriften waarin met woord en beeld verslag werd gedaan, maar ook op de losse series modeprenten die regelmatig verschenen.

Franse luxe
Hoewel het driehonderd jaar geleden was, staat de mode uit de 18de eeuw toch niet zo ver van ons af. Toen keek men ook al naar de nieuwtjes uit Parijs, wisselde de mode per seizoen, kocht men tijdschriften en prenten om op de hoogte te blijven en werden op (relatief gezien) grote schaal luxe goederen uit Frankrijk geïmporteerd. En wat exclusiviteit en prijs betreft zijn de Franse japonnen van toen gelijk aan de haute-couture van tegenwoordig.

F. van der Mijn
Machteld Muilman (1717/8-73), tweede echtgenote van
Jan Pranger, directeur-generaal van de Goudkust
Amsterdam, Rijksmuseum.
Onder de sac werd een nauwsluitend korset en een ronde hoepelrok gedragen. Het puntige korset van linnen of grein was verstevigd met verticaal ingenaaide baleinen van metaal, hout of walvisbalein, die het vrijwel onbuigzaam maakten. De buitenkant kon ter versiering bekleed worden met zijde, terwijl men aan de binnenkant voor horizontale hoepels van walvisbalein, riet of bamboe waren genaaid, gaf het benodigde volume. Daarnaast zorgde hij tijdens het lopen voor een schommelende beweging van de rok en door deze onbedoelde en frivole bijkomstigheid (enkels werden als zeer erotisch ervaren) kreeg het volumineuze silhouet toch nog enige levendigheid.

M. Verheyden
Charlotte Beatrix Strick van Linschoten (1732-?), tweede echtgenote
van Gerard Cornelius van Riebeeck, secretaris van Delft ca. 1755, Amsterdam, Rijksmuseum.
Charlotte Beatrix Strick van Linschoten (1732-?), tweede echtgenote
van Gerard Cornelius van Riebeeck, secretaris van Delft ca. 1755, Amsterdam, Rijksmuseum.
Aankleden
Het aankleden was bepaald geen sinecure! Eerst een lang linnen hemd (dat overigens ook vaak dienst deed als onderbroek) en dan het korset, dat alleen met hulp aangetrokken kon worden. Dan één of meerdere onderrokken van verschillend materiaal (zijde, linnen of tijk al dan niet geborduurd, doorgestikt of gewatteerd) waarover de hoepelrok hing. De zijden of wollen kousen werden door kousenbanden opgehouden. Nadat men dit alles had aangetrokken, volgde de rok die over het hoofd werd aangedaan. Hierna werd de overjapon aangetrokken en de veters van het linnen binnenlijfje gesteld, zodat de plooien op de rug mooi recht en strak vielen. Uiteindelijk kwam nog een ingewikkelde handeling waarbij hulp onontbeerlijk was: het losse borststuk moest met spelden aan het lijf van de japon en op het korset worden gespeld. In de meeste japonnen bevond zich een extra linnen strook, die speciaal bedoeld was voor dit vastspelden. Toentertijd waren kopspelden namelijk nog niet zo dun als tegenwoordig en zou men bij herhaald gebruik de stof van de japon hebben beschadigd. Al met al een tijdrovende procedure, die meerdere malen per dag werd herhaald omdat men zich voor de verschillende tijdstippen op de dag en gelegenheden anders diende te kleden. Uiteraard kon alleen de bovenste laag van de bevolking zich deze luxe permitteren.

Robe à la française
Nederland of Frankrijk, japon ca. 1750-1775, bruikleen
Koninklijk Oudheidkundig Genootschap Rijksmuseum Amsterdam
Nederland of Frankrijk, japon ca. 1750-1775, bruikleen
Koninklijk Oudheidkundig Genootschap Rijksmuseum Amsterdam
Vanaf 1730 zette een nieuwe ontwikkeling in: de rugplooien werden steeds vaker vastgezet en langzamerhand kregen de japonnen een nauwsluitender taille. Tegelijkertijd veranderde de hoepelrok van een ronde vorm naar een langgerekte ovaal, die aan weerskanten breed uitstond. Toen de schrijver Justus van Effen voor het eerst een dame met een dergelijke hoepelrok of panier zag, dacht hij ‘dat het een menschelijke gestalte was, die zig op een klein paard tusschen twee keteltrommen met tot op den grond afhangende kleederen verhefte.’ Iemand uit zijn gezelschap hielp hem echter uit de droom en vertelde, dat het de allernieuwste Franse mode was die ‘karvars’ uit Parijs was meegebracht.

N. Muys
De graveur Robert Muys (1742-1825) en zijn
echtgenote Maria Nozeman, Rijksmuseum Amsterdam
Veel van de mode impulsen in ons land kwamen uit Frankrijk of waren een afgeleide van de mode, die in Parijs werd geïntroduceerd. Reizigers brachten de állernieuwste kledingstukken en stoffen mee, maar hier te lande kon men in de steden bij de ‘Franse kramerijen’ (winkels die luxe artikelen als waaiers, zijden stoffen, kant, handschoenen e.d. verkochten) terecht voor de laatste snufjes. Kleermakers, naaisters en vooraanstaande dames waren niet alleen geabonneerd op modetijdschriften waarin met woord en beeld verslag werd gedaan, maar ook op de losse series modeprenten die regelmatig verschenen.

G. van der Mijn
Antoinette Metayer (1732-1788)
Rijksmuseum Amsterdam
Rijksmuseum Amsterdam
Franse luxe
Hoewel het driehonderd jaar geleden was, staat de mode uit de 18de eeuw toch niet zo ver van ons af. Toen keek men ook al naar de nieuwtjes uit Parijs, wisselde de mode per seizoen, kocht men tijdschriften en prenten om op de hoogte te blijven en werden op (relatief gezien) grote schaal luxe goederen uit Frankrijk geïmporteerd. En wat exclusiviteit en prijs betreft zijn de Franse japonnen van toen gelijk aan de haute-couture van tegenwoordig.
Rijksmuseum Kunstkrant juli / augustus 2001
© Rijksmuseum Amsterdam
© Rijksmuseum Amsterdam

