Kunstpedia - http://www.kunstpedia.com
Mannekensbladen - Van mannekensblad tot strip
http://www.kunstpedia.com/articles/303/1/Mannekensbladen---Van-mannekensblad-tot-strip/Page1.html
Historische Drukkerij Turnhout
Het machinepark van de Historische Drukkerij geeft een goed beeld van de verschillende types van machines die in de negentiende eeuw werden ontwikkeld.  Handpersen (waaronder een vroege Stanhope-pers), cilinderpersen en trapdegels herleven in een uniek kader.

Historische Drukkerij Turnhout
Steenweg op Mol 84
2300 Turnhout
België
t. (0032)  (0)14 42 00 34
www.historischedrukkerij.be
 
By Historische Drukkerij Turnhout
Published on 30 May 2008
 
In België noemt men ze meestal mannekensbladen of kinderprenten, zo ook in Nederland. In Duitsland noemt men ze Bilderbogen of Fliegende Blätter, in Frankrijk imagerie populaire, feuilles volantes of images d’ enfants. In Zweden heeft met het over Kristbref naar de gewoonte om ze in een kofferdeksel te kleven. Deze termen komen grotendeels overeen met de benaming volksprent.

door Patricia Vansummeren, Harry de Kok en Jan Smet
In België noemt men ze meestal mannekensbladen of kinderprenten, zo ook in Nederland. In Duitsland noemt men ze Bilderbogen of Fliegende Blätter, in Frankrijk imagerie populaire, feuilles volantes of images d’ enfants. In Zweden heeft met het over Kristbref naar de gewoonte om ze in een kofferdeksel te kleven. Deze termen komen grotendeels overeen met de benaming volksprent.

De geschiedenis van het Turnhoutse mannekensblad is voor een stuk de geschiedenis van de Turnhoutse druknijverheid. En! Laat daarover geen misverstand bestaan. Papierverwerken en drukken zijn in Turnhout niet ouder dan 1795-96 en kwamen tot ontwikkeling in de negentiende eeuw. Het Turnhout van voorheen kan men niet typeren als speelkaartenstad, doch wel als een centrum voor tijk– en linnenwevers, van blekerijen en kantwerksters… en met bovendien een belangrijke agrarische sector. Juist de Napoleonistische tijd was gunstig voor de tijkaktiviteit. En toch ontstond toen het embryo van de latere kentering.

De geschiedenis
In 1795-96 belandde een veertigjarige Leuvenaar, Pieter Corbeels, met enig drukkersalaam in Turnhout. Corbeels was eigenlijk een verzetsman, die mogelijk aangelokt werd door de stille stad, dicht bij de grens gelegen. Zijn kleine drukkerij was hem een geheime bondgenoot bij de aanmaak van de pamfletten, die de geest van verzet tegen de Franse dwingelandij moesten levendig houden. Corbeels overleefde de Boerenkrijg niet, doch zijn leerjongen en medewerker Philip Jacobus Brepols, eveneens uit Leuven, wist op korte tijd het kleine bedrijf, dat hij in 1800 van de weduwe had overgenomen, aanzienlijk uit te bouwen. Ondermeer drukte Brepols boekjes met prettige, nog barok klinkende titels als bv. ‘De Boerentheologie’ of ‘De Godvruchtige Kluizenaar’ enz…


Mannekensblad uit de periode voor 1840

Geleidelijk bouwde Brepols het terrein van zijn bedrijvigheid uit. Aan het drukken van boeken, prenten van beschermheiligen en huiszegens voegde hij de fabricatie van gekleurde fantasiepapieren toe en spoedig ook het drukken van speelkaarten. Het zakendoen zat Brepols in het bloed. Hij verkocht van alles, ondermeer mannekensbladen die hij aankoopt bij drukkers als Le Tellier te Lier of C. Parys en Vinck te Antwerpen. Het feit dat hij adverteerde ‘vilte en zijden hoeden, wit en zwart, waterproef’ en petten, alsmede ‘pennen, griffiën, ouwelen, cijfferschaliën, kurkestoppen, beddetijken’ te verkopen en dat hij een commissiekantoor van goederen naar alle gewesten had, getuigt van een negentiende-eeuwse koopmansziel, die alle wegen bewandelde waar de koophandel fortuin kon brengen. Doch ook deze typering is onvoldoende voor de rasechte wereldindustrieel ‘avant-la-lettre’ die Brepols was.

Brepols trad in zijn bedrijf, dat in de besproken periode steeds op de hoek van de Markt en de Papenstraat lag, ook spoedig op het terrein van de Franse drukkers, zoals die voor de Franse Revolutie bestonden bij de ‘imageries’ van Chatres, Troyes, Orleans en Epinal.

In tegenstelling tot de belangrijke productie van kinderprenten in de Noordelijke Nederlanden is hierover in de Zuidelijke Nederlanden zeer weinig bekend. Slechts een beperkt aantal prenten is bewaard gebleven. Zelfs Antwerpen, dat nochtans in de 17de en 18de eeuw een belangrijk drukcentrum was van devotieprenten, heeft weinig sporen nagelaten van profane volksprenten. Belangrijke drukkers-uitgevers te Antwerpen, zoals Abraham Verhoeven, Antonius Spierinckx, Hiëronymus Verdussen, C. Parijs en de familie Vinck brachten wel enkele profane volksprenten op de markt zoals de ‘Trap des Ouderdoms’, koningsbrieven, ganzenborden en enkele prenten met houtsneden over de Antwerpse Ommegang, gesigneerd Jan Christoffel Jegher. Ook in andere steden waren drukkers actief zoals onder meer Van der Haeghen, Ch. De Goesin-Disbecq, J.P. Poelman en Van Paemel te Gent, P.J. Hanicq te Mechelen en G. Cawe en P. Vleminckx te Brussel. In vergelijking met Nederland zijn in België maar weinig profane volksprenten had zoals een ganzenspel en een uilenbord en enkele profane prenten waaronder het verhaal van ‘Klein Duimpje’ en er was Turnhout.


Mannekensblad uit de periode voor 1840

Door het toedoen van Brepols werd het mannekensblad in de Nederlanden als het ware een Turnhouts monopolie. De mannekensbladen die hij verkocht kocht hij te Antwerpen en te Lier (Le Tellier). Ondertussen was de bedrijvigheid van J. Ch. Pellerin in Epinal herbegonnen. Nadat Brepols heiligenprenten van de bedevaartplaatsen had gedrukt, kocht hij in 1817 een fonds van een veertigtal houtblokken om mannekensbladen te drukken van Le Tellier te Lier, wat de start is van een bloeiende fabricatie van kinderprenten. Een spilfiguur voor de eigen creatie ‘figuursnijder’ P.F. Wellens, werkte voordien vermoedelijk voor Le Tellier. Aangezien België deel uitmaakte van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, vormde het huidige Nederland een belangrijk onderdeel van de markt. In Nederland doet P.J. Brepols beroep op wederverkopers die de prenten voor hem verspreiden en deze vaak bestellen op hun eigen naam. Een prent die eind 1817 –begin 1818 zeer goed verkoopt is de ‘Slag van den berg Saint Jean…’ over de slag van Waterloo (1815). Deze prenten worden met houtblokken gedrukt op handgeschept papier. Voor het inkleuren van de prenten worden speciale sjablonen gemaakt en worden de verfstoffen voorbereid. Een deel van de productie wordt met sjablonen ingekleurd, de rest wordt als ongekleurd verkocht en eventueel door de wederverkopers ingekleurd. Vanaf ongeveer 1820 verkoopt Brepols ook in Wallonië en worden sommige prenten tweetalig Nederlands/Frans. Vanaf 1829 worden voor het eerst prenten gemaakt in lithografie; deze beprekte reeks wordt eind 1830 niet meer voortgezet. De jaren na de Belgische Onafhankelijkheid zijn moeilijke jaren voor Brepols. Omwille van tolheffingen verliest hij een deel van de Nederlandse markt. In de jaren 1840-50 kocht Brepols een gedeelte van het fonds J. Noman en Zoon uit Zaltbommel aan. Dity fonds bevatte gravuren, die herkomstig waren van de firma J. Hendriksen uit Rotterdam en van de Erven Weduwe C. Stichter uit Amsterdam. Eer wordt ook overgeschakeld naar het gebruik van mechanisch vervaardigd papier. Nieuwe graveurs als C.A. Moermans, A. Cranendoncq en J.J. Delanier ontwierpen nieuwe prenten, waaronder ‘de trein’.

Het succes van zo’n ondernemend man deed noodzakelijkerwijze gelijkaardige initiatieven loskomen in de kleine stad. In 1833 verliet Jacques Edward Glénisson, neef en bediende van Brepols, de fabriek van zijn oom en begon samen met zijn geldschieter A. Van Genechten een nieuwe concurrentiële onderneming, eerst in de Hofpoort, later in de Warandestraat.


Mannekensblad uit de periode voor 1840

In 1834 begonnen Petrus Frans Wellens, werknemer bij Brepols, en de kapitaalkrachtige Petrus Delhuvenne voor eigen rekening te werken met succesvolle mannekensbladen. In 1844 hielde de vennootschap op, doch Delhuvenne ging gewoon door met het drukken van o.a. mannekensbladen. In 1850 verhuisde de fabriek van de Warande– naar de Otterstraat. De weduwe Delhuvenne liet de fabriek over aan Stefaan Splichal, doch verkocht het fonds en de blokken mannekenspapieren in 1856 aan de firma Glénisson-Van Genechten. Dit bedrijf kwam eveneens in het bezit van een deel van de houtblokken van de opvolgers van de firma Thompson uit Rotterdam en tevens van een deel van het fonds Noman en Zoon uit Zaltbommel. In 1856 gingen de vennoten Glénisson en Van Genechten uit elkaar, het fonds mannekensbladen onder elkaar verdelend. Op korte tijd werd Van Genechten inzake kinderprenten een dermate zware concurrent van Brepols dat deze laatste de productie afbouwt omdat de prijzen te laag zijn. In 1861 adviseert men de klanten zelfs om mannekensbladen aan te kopen bij Antoine Van Genechten, die nog goedkoop kan leveren. Op het einde van de negentiende eeuw start Brepols om commerciële redenen met een nieuwe lithografische reeks. Mechanische litho-persen zijn sneller en halen hogere oplagen dan drukpersen met houtblokken. Een aantal oude prenten wordt van houtblok overgezet op litho. Ook nieuwe prenten—replica’s van Epinalprenten– worden hierin opgenomen. Geleidelijk aan wordt het sjabloneren ook vervangen door het kleurdrukken op litho-persen, de zogenaamde chromolithografie. De kleuren dienen nog altijd kleur per kleur aangebracht te worden. Glénisson drukte nog tot 1899 (Hofstraat, nu Renier Sniedersstraat). Bij Van Genechten op de Merodelei drukte men slechts mannekensbladen tot in 1870 toen het fonds werd verkocht aan Frans Beersmans-Pleek, een vakmanbediende uit de fabriek van Brepols tot hij zelf met een drukkerij begon. Na zijn dood in 1897 zette zijn weduwe Beersmans-Pleek op de hoek van de Markt en de Gasthuisstraat de zaak nog een vijftal jaren verder. Het fonds bestond uit een honderdtal prenten. Toen was het bloeitijdperk voorbij en het stage kwijnen reeds begonnen.

door Patricia Vansummeren, Harry de Kok en Jan Smet
Bij het begin van de twintigste eeuw legde opvolger A.J. Jacobs-Brosens het uitgeven van mannekensbladen stil. In 1902 had deze de zaak overgenomen, doch in 1903 houtblokken verbrand en de voorraad prenten verkocht aan de Antwerpse volkskundige Emile Van Heurck. Men noemt het aanwenden van het mechanische procédé, waardoor de volksprent alledaagser en geestlozer werd, als één der hoofdoorzaken van het verval. Doch niet alleen de gewijzigde techniek, ook het individalisme van de mens was minder toegankelijk geworden voor de taal en de thematraditie (waarover verder) van de bladen. Daterend van in de pruikentijd overleefden de mannekensbladen zelfs de jongste eeuwwisseling doch dan naderde het einde. In 1916 brengt Brepols een prent uit over het Belgisch Leger. Deze prent kan worden uitgeknipt, een typisch kenmerk van de militaire kinderprenten. Met een formaat van 90 bij 65 cm is het wellicht ook de grootste soldatenprent uit de periode. Voor de eerste maal in zijn geschiedenis geeft Brepols in de kinderprenten blijk van patriottisme. Het is verwonderlijk dat de Duitse censuur deze prent niet heeft opgemerkt of althans het drukken ervan heeft toegestaan.


Mannekensblad uit de periode voor 1840,
maar dan gebruikt als kaft voor schriften


Ondermeer de opkomst van het gekochte en ontleende boek (in 1921 ontstond de eerste bibliotheekwet) deden bij de bevolking nieuwe gewoonten ontstaan. Het mannekensblad als medium is verdwenen. De bladen behielden echter wel een secundaire waarde. Als gegeerd verzamelobject, als spiegel van een tijd en op tentoonstellingen blijven ze vermoedelijk altijd bestaan.


De inkleuring, de zogenaamde ‘duimelarij’ was een typisch Nederlandse manier van inkleuren.
Het mannekensblad werd ongekleurd aangekocht bij Brepols.


De themata
De thema’s van de volks– en kinderprenten zijn zeer divers. De oudste prenten zijn vaak religieuze prenten die niet specifiek op kinderen gericht zijn: het leven van Maria, Christus of populaire heiligen; en de zogenaamde huiszegens. ‘De huiszegen wordt gelezen als er eenig groot gevaar op handen is, wanneer een vrouw in barensnood verkeert of een mens op sterven ligt, maar vooral ten tijde van onweder. Dan zitten al de huisgenoten rond de tafel geschaard waarop de gewijde keers staat te branden terwijl de vader des gezins met luide stemme den zegen voorleest’. De huiszegen bestaat meestal uit twee delen. Op de rechterzijde werd de lijdende Christus afgebeeld waarrond een gebed gedrukt werd dat in geval van nood kon gelezen worden. Zoals aangeduid op de oudste versie van de huiszegen van Scherpenheuvel uitgebracht door Brepols moest dit gebed er voor zorgen dat geen ongeluk oyt daer in en kome met tovery, duyvels gesluys, ook voor alle kwaede ziektens onder de menschen en vee en behoed dit huys voor vuer, hagel, donder, blixem en groote watervloed en bewaerd ook onze landen voor oorlogen en droeve tijden. Als materiaal bedevaartoord werden Scherpenheuvel, Halle, Kevelaar en Uden gekozen.


Mannekensblad gedrukt op eenzijdig gekleurd handgeschept papier van Brepols.

Een aantal godsdienstige prenten zijn cryptischer zoals de Duyvelsdans (pleidooi tegen de dans). De geestelycke loterij en de Doodenspiegel (confrontatie met eindigheid van het bestaan). Als laatste in de reeks willen we nog de aandacht besteden aan De Trap des Ouderdoms. Deze trap verbeeldt de verschillende fasen uit een mensenleven, hier voorgesteld door paren: op elke trede een jongen en een meisje, een man en een vrouw, in een evolutie van de geboorte tot de dood. Per 10 jaar, tot 100, wordt een bepaalde leeftijdsgroep uitgebeeld: 10 ans âge de l’adolescence, 20 ans âge de la jeunesse, 30 ans âge viril, 40 ans âge de discretion, 50 ans âge de maturité, 60 ans âge déclinant, 70 ans âge de dédadence, 80 ans âge caduc, 90 ans âge décrépitude, 100 ans âge d’enfance. Beneden het boogveld van de trap werd het Laatste Oordeel verbeeld. Een engel en een duivel proberen de beide 100-jarigen, die in een bed liggen naar hun kant over te halen. Links en rechts van de trap staat een boom met in de kruin een voorstelling van het doopsel en de begrafenis. De Trap des Ouderdoms is één van de meest geliefde thema’s in de volksprenten.

Bepaalde onderwerpen hebben een lange voorgeschiedenis en worden door diverse drukkers telkens hernomen: luilekkerland, spreekwoorden, kinderspelen, verhalen als Jan de Wasscher. De prenten zijn zeer nauw verbonden met het dagelijks leven, met een zeer groot herkenningseffect en zijn een ideale combinatie van woord en beeld voor de gewone mens. Het beeld primeert, de tekst is beperkt.


Het verhaal van Roodkapje uit het fonds van Van Genechten.



Boven en onder hetzelfde verhaal uit het fonds van Glénisson en zoon, zelfde opbouw, zelfde tekst.


In de loop van de negentiende eeuw evolueert het mannekensblad meer en meer naar een kinderprent. Kinderprenten over spelen beelden kinderspelen uit of zijn prenten met spelende kinderen. Dekend zijn de harlekijnen, die uitgeknipt kunnen worden, het domino– en kaartspel, het ganzenbord en de zeer succesvolle Driekoningenbriefjes. Op Driekoningendag werd traditiegetrouw een koning aangeduid die voor de gelegenheid een speciale kroon op het hoofd kreeg. De koning kon aangeduid worden door een boon die verstopt zat in de Driekoningenkoek. Maar het kon ook gebeuren door middel van de Driekoningenbriefjes zoals dit in Vlaanderen gebruikelijk was. De oudste getuigenissen van dit spel zouden dateren uit de 16de eeuw. Voor het spel werd de prent verknipt. Elke gast moest de gehele avond de rol vervullen die hem door het lot was toebedeeld. De prent met Driekoningenbriefjes geeft 32 verschillende personnages weer zoals: den Koning, Den Zot, Schenker, Vuerstoker, Zanger, Venus-koppelaer, Blaeskaek, Raesbol, Hoorn-draeger, Hinnen-taster, Allemael-op, Hanne-kont, Muyzen-vanger, Langtong, Moey-al, Gortentelder, Telloor-lekker, Voor-snyder, Niemands-vriend, Allemans-vriend, Rent-meester, Schouw-vaeger, Voerenstaever, Luyzevanger, Altijd-zat, Zelden-zat, Pot-à-fer, Steven klop Steysel, Hannen in de Keef, Mostaert-man, Slyper en Liere-man. De bedoeling van het spel wordt duidelijk in de tekst over de Koning: ‘k ben als Koning hier gezeten / Geenen vriend mag mij vergeten / ‘T eeren als een Mayesteyt / Schoon mijn rijk duert korten tijd.

De moraliserende thema’s, abc prenten, sprookjes en verhalen krijgen de bovenhand. Omdat sommige prenten niet langer voor volwassenen bestemd zijn wordt in bepaalde gevallen censuur toegepast. Door de talrijke veldslagen en oorlogen kent het fonds van de vroege negentiende eeuw een overvloed aan militaire prenten. Toch heeft Brepols op de prenten nooit een politiek of militair standpunt ingenomen. Tot 1916 werd er zelfs geen enkele prent over het Belgisch leger gepubliceerd.

Waar geen leiding was en geen bevruchting van de literatuur, daar viel de volksziel op zichzelf terug en putte uit eigen gemoed, de rijke voorraadschuur van de ervaren tradities.

Vaak werd met houtblokjes een onderwerp verspreid, dat ook de betere klassen kenden via de kopergravures. Andere onderwerpen werden ontleend aan de succesnummers van concurrerende firma’s in binnen– en buitenland, aan de devotieprentjes, aan de feuilletons, die vaak universeel gekende titels behandelden. Hoofdzakelijk is het een iconografie die steunt op het gezag: Bemint God (Oude en Nieuwe Testament, heiligenlevens, stichtende verhalen) en eert de koning (vorsten, leiders, soldaten. Het Nederlandse vorstenhuis is bij de Turnhoutse producten vertegenwoordigd, het Belgische niet). Wat opvalt is bv. ook dat een aantal prenten worden gewijd aan den ‘wonderbaren’ Napoleon.  Nochtans moet de herinnering aan de ‘gewelddadige’ Napoleon nog intens zijn geweest. Angst en vrees voor zijn naam sloegen na Waterloo vrij spoedig over in bewondering voor zijn daden. Op dit vlak volgde het mannekensblad wat er in de literatuur en de volkskunst gebeurde en deden ook de mannekensbladen mee aan deze legende-schepping. Het soldateske is trouwens een vaste waarde bij de mannekensbladen vermits ondermeer ook Beierse, Russische, Oostenrijkse, Franse en Engelse soldaten vertegenwoordigd waren.

door Patricia Vansummeren, Harry de Kok en Jan Smet
Een ander luik van onze negentiende-eeuwse beeldverhalen wordt gevormd door het eigen leven op de straat, op de markt, bij het ambacht, feesten, kermissen, toneel. De vrouw is nog de huismoeder, die naar het volksgevoel overal elders waar zij mocht worden aangetroffen, niet op haar plaats is. De volkse levenswijsheid uit zich bv. bij de reeds vermelde trappen van Ouderdom en bij andere allegorische voorstellingen. Uitgebeeld werden ook bekende klassieke figuren als bv. De Wandelende Jood.

Het diep ingewortelde respect voor de hiërarchische rangorde, waarin gezag en sociale stand als een goddelijke beschikking werden gezien komt ook tot uiting bij de zgn. Floskaartjes, volksprenten die in 36 plaatjes de hiërarchie uitbeelden vanaf keizer-keizerin afdalende tot dienstknecht-dienstmeid, terwijl het laatste koppel leven en dood voorstelt, waarin allen weer gelijk zijn, de memento mori gedachte, de overwinning van de dood op het leven.

Ook volkeren van andere landen werden voorgesteld en kinderspelen en de nieuwe uitvindingen zoals de ‘ijzeren weg’, zelfs het kaartspel is aanwezig. Tenslotte werd veelvuldig plezierig en zachtaardig gehekeld, zoals bv. in de prenten, genre ‘Verkeerde Wereld’, alsmede de allegorische en satirische prenten zoals de ‘schoonste neuzen van het Land’ en moraliserende en didactische prenten.  Populair waren ook de dierenprenten, de prenten met andere nationaliteiten en klederdrachten. Waar de meestal anonieme kunstenaar zich door liet inspireren dient nog onderzocht. Ook heel wat sprookjes en verhalende prenten zijn aanwezig zoals o.a. Klein Duimpje, Tijl Uilenspiegel, Gulliver, De Gelaarsde Kat enz.

 
Guliver in de oorspronkelijke plassende versie, en de latere versie met gieter.

De aanwezigheid van heel wat Nederlandse themata wordt verklaard door de herkomst van sommige delen van de collectie zoals boven vermeld, en in de hand gewerkt door de afzet die de Turnhoutse mannekensbladen in het Noorden hadden. Brepols bv. drukte zijn prenten o.a. voor een vijftal uitgevers in Amsterdam en verder voor uitgevers te Leeuwarden, Sneek, Delft, ‘s-Gravenhage, Amersfoort. Stijfdeftige konterfeitsels van Amsterdamse instellingen als de lommert of de Berg van Barmhartigheid en het weeshuis en tehuis van oude lieden hebben een plaats gekregen in de Turnhoutse prentenreeks. Wel ontstegen zij de lokale betekenis en hebben een algemene zin verworven m.n. toevluchtsoord voor overal aanwezige armoede.

De tweetalige onderschriften onder de plaatjes wijzen dan weer op een verspreiding naar Wallonië en Frankrijk. Stilaan evolueerden de voorstellingen. Minder prenten met verschillende facetten van één thema en meer prenten met één verhaal. Het beeldverhaal deed zijn intrede.

 
Jan de Wasscher in aapversie, zeer gebruikelijk voor die tijd.
Een latere gekuiste versie waarbij de priester in zijn kansel terug werd weergegeven met menselijk gelaat.


Enkele sociale facetten
Het eenvoudige mannekensblad vormt in de evolutie van de volkscultuur een belangrijk element. In een periode waarin een groot gedeelte van de bevolking ongeletterd was, diende het beeld de volkswijsheid te ondersteunen en te illustreren. Alhoewel het mannekensblad een belangrijk exportartikel was, willen wij hier toch enkele cijfers betreffende het analfabetisme in Turnhout kwijt. Het aantal geletterden in Turnhout bedroeg 51,75 % (1780-1794,  45,75 % (1756-1814),  48,09 % (1815-1829),  61,47 % (1830-1854),  65,95 % (1844-1853,  66,47 % (1854-1863),  65,09 % (1864-1873),  69,62 % (1874-1883),  80,50 % (1884-1891). Bij die brede lagen ‘analfabeten’ van de bevolking nam het mannekensblad aanzienlijk deel aan het verspreiden van de geest. Eens het ‘primum vivere’ gerealiseerd bestond ook bij de volksklasse de nood tot geestverruimende activiteit. Naast de zgn. blauwboekjes, de schoolboekjes, de almanakken, de gebeden– en devotieboeken, het volks– en marktlied speelde het mannekensblad een belangrijke rol in het lectuurvraagstuk van de kleine standen. Meer nog dan de andere genoemde vormen lag het mannekensblad binnen het bereik van de kleinste koopkracht. Het vond zijn weg naar de massa langs de week– en jaarmarkten, de school, de colporteurs, de snoepwinkeltjes, waar met de zondagscenten de prenten aan één cent konden worden aangekocht. Verder diende het als ruilmiddel van de ‘bullen– en beenenman’ en als nieuwjaarsgift. Via deze weg werd iets van het leven des geestes overgebracht aan hen die niet konden lezen of schrijven. Het beeld primeerde en bij de oudste is de tekst beperkt tot de hoogstnoodzakelijke verklaringen. Zelfs later als de tekst in berijmde vorm aan belang gaat winnen blijft hij ondergeschikt aan het beeld. In het beeld heeft de prentsnijder zijn ideeën volledig uitgesproken, de tekst beperkt zich steeds tot het aangeven van de richting waarin de verbeelding dient te gaan. Wij moeten ons ook realiseren dat het blad bestemd was voor volwassenen.


De laatste fase van de mannekensbladen in hoogdruk bij Brepols.
De houtblokken waren toen al  vervangen door zinkclichés.


Doorheen de evolutie werd het meer en meer en tenslotte uitsluitend kinderlectuur doch dat was aanvankelijk niet zo. Ook op andere terreinen kwam er evolutie. Onder andere en we zouden dit kunnen typeren als een uiting van het groeiende fatsoen. Op een bepaald blad watert Gulliver een brand uit met de rug naar de toeschouwer en op een ander type doet hij dit van tussen de torens van de kathedraal. Bij latere types daarvoor gebruikt Gulliver daarvoor een gieter. Ook in de tekst veranderde wel iets.

Noman nr. 312
              ‘Maar dames houd uw rokken vast
              Voor dezen onbeschaamden gast’

Werd bij Beersmans nr. 54
              ‘Maar dames toch spoed u wat
              Of gij geraakt nooit in de stad’

De bladen zijn geen individuele expressie maar een uiting van naïef expressionisme van de volksziel.

door Patricia Vansummeren, Harry de Kok en Jan Smet
De concurrentie van het stripverhaal (1917-1930)
Algemeen wordt het jaar 1896 als geboortejaar van het stripverhaal aanvaard. Deze Amerikaanse uitvinding heeft de kinderprent beïnvloed en ze uiteindelijk ook in de concurrentiestrijd doen verdwijnen. Vooral het integreren van tekst en beeld en het sterk verhalende karakter doen het de strip halen op de meer statische prenten. Toch had Brepols na 1917-1918 een aantal nieuwe ontwerpers aangetrokken: Marcel Jaspar, Amedée Lynen, George P. de Laet en John Janssens, die in een zeer vernieuwende stijl en thematiek, en onder duidelijke beïnvloeding van het stripverhaal, een nieuwe elan poogden te geven aan de kinderprent. In tegenstelling tot het oude fonds staat nu ook de naam van de tekenaar/ontwerper op de prent. Omstreeks 1920-1930 wordt een aantal prenten gebundeld in albums waarvoor onder meer Marcel Jaspar speciale kaften ontwerpt. De laatste prent door Brepols uitgegeven dateert van na 1922; het drukken ervan wordt kort na 1930 stopgezet. Ondanks allerlei vernieuwingspogingen in de jaren 30 van deze eeuw, moesten ze uiteindelijk toch het onderspit delven voor een nieuwkomer op de markt, het ‘stripverhaal’. Enkele bedrijven probeerden nog na de Tweede Wereldoorlog de concurrentie aan te gaan met dit nieuwe medium, maar tevergeefs. Het mannekensblad met zijn eeuwenoude traditie was te zeer verouderd om nog attractief te zijn.




Mannekensblad nr. 350 uit de lithografische reeks van Brepols,
met daarbij de proefdruk van de afbeeldingen en  de proeftekst met correcties


Van een substantiële Turnhoutse uitgeversactiviteit van stripverhalen is niet echt sprake. Wat in Turnhout gedrukt werd, was dat meestal in opdracht van een uitgever buiten de stad. Wanneer en door wie het eerste stripverhaal te Turnhout gedrukt werd, is nog niet met zekerheid vastgesteld. Wel geeft Brepols in de jaren dertig onder de naam ‘Collectie voor onze kinderen’ een reeks van minstens drie titels uit waarvan de eerste, de Voorbeeldige Meisjes, naar het Fransch van Gravin de Ségur, geïllustreerd werd door ASHA. Het betreft een album van 32 pagina’s met hoofdstukken van één pagina, wat duidelijk op de traditie van de vroegere kinderprenten teruggaat, hoewel deze verhalen wellicht nooit als losse prent verkocht werden. De geschiedenis van het stripverhaal te Turnhout na de Tweede Wereldoorlog is nog ongekend terrein. Door de installatie van een grootformaat rotatiepers konden de drukorders voor Suske en Wiske in de jaren tachtig door Brepols verwerkt worden: per seconde werden op één rotatiepers vijf exemplaren van 56 pagina’s in kleur afgedrukt. Niettemin is het drukkerij Proost die zich in Turnhout sinds de jaren zeventig en tachtig gespecialiseerd heeft in de productie van het stripverhaal. Na de overname van de drukkerij van de groep Jean Dupuis in 1990 is Proost marktleider op wereldvlak.


De laatste stuiptrekkingen  van het mannekensblad.
Hier werd deze nog gebruikt als reclame voor een Liebig-product.


Tenslotte
Wij spraken in bovengenoemde uiteenzetting steeds over mannekensbladen of mannekenspapieren en willen toch vertellen dat deze plaatselijke naam dezelfde lading dekt als het elders gebruikte volks– en kinderprent. Technisch werden de eerste mannekensbladen gedrukt op handgeschept papier met houtblokjes en ingekleurd met sjablonen. De evolutie bracht in latere perioden gewoon ordinair papier, de lithografie en de kleurendruk. Met ongeveer 500 verschillende prenten in de negentiende eeuw was Brepols zeker de belangrijkste drukker van mannekensbladen in België. Zijn naaste concurrenten moesten zich met een kleiner assortiment van prenten tevreden stellen, namelijk Beersmans met 110 prenten, Glénisson & Van Genechten met ca. 267 volks– en kinderprenten, Wellens-Delhuvenne & Cie met ca. 94 prenten.

De hoeveelheid geproduceerde mannekensbladen was enorm. Deskundigen raamden de jaarlijkse omzet van de Nederlandse en Belgische uitgeverijen tussen de vijftig en honderd miljoen. Misschien is dit wat te hoog. De verkoop bij Brepols, toch de belangrijkste uitgever op dit vlak in België in de 19de eeuw, haalden in de topjaren 900.000 à 1.000.000 exemplaren. Het leeuwenaandeel van de Belgische produktie was herkomstig uit het ‘Epinal’ van de Nederlanden, zoals Turnhout terecht genoemd mag worden.

© Patricia Vansummeren, Harry de Kok en Jan Smet

met toestemming van auteurs en Historische Drukkerij Turnhout