De concurrentie van het stripverhaal (1917-1930)
Algemeen wordt het jaar 1896 als geboortejaar van het stripverhaal aanvaard. Deze Amerikaanse uitvinding heeft de kinderprent beïnvloed en ze uiteindelijk ook in de concurrentiestrijd doen verdwijnen. Vooral het integreren van tekst en beeld en het sterk verhalende karakter doen het de strip halen op de meer statische prenten. Toch had Brepols na 1917-1918 een aantal nieuwe ontwerpers aangetrokken: Marcel Jaspar, Amedée Lynen, George P. de Laet en John Janssens, die in een zeer vernieuwende stijl en thematiek, en onder duidelijke beïnvloeding van het stripverhaal, een nieuwe elan poogden te geven aan de kinderprent. In tegenstelling tot het oude fonds staat nu ook de naam van de tekenaar/ontwerper op de prent. Omstreeks 1920-1930 wordt een aantal prenten gebundeld in albums waarvoor onder meer Marcel Jaspar speciale kaften ontwerpt. De laatste prent door Brepols uitgegeven dateert van na 1922; het drukken ervan wordt kort na 1930 stopgezet. Ondanks allerlei vernieuwingspogingen in de jaren 30 van deze eeuw, moesten ze uiteindelijk toch het onderspit delven voor een nieuwkomer op de markt, het ‘stripverhaal’. Enkele bedrijven probeerden nog na de Tweede Wereldoorlog de concurrentie aan te gaan met dit nieuwe medium, maar tevergeefs. Het mannekensblad met zijn eeuwenoude traditie was te zeer verouderd om nog attractief te zijn.




Mannekensblad nr. 350 uit de lithografische reeks van Brepols,
met daarbij de proefdruk van de afbeeldingen en  de proeftekst met correcties


Van een substantiële Turnhoutse uitgeversactiviteit van stripverhalen is niet echt sprake. Wat in Turnhout gedrukt werd, was dat meestal in opdracht van een uitgever buiten de stad. Wanneer en door wie het eerste stripverhaal te Turnhout gedrukt werd, is nog niet met zekerheid vastgesteld. Wel geeft Brepols in de jaren dertig onder de naam ‘Collectie voor onze kinderen’ een reeks van minstens drie titels uit waarvan de eerste, de Voorbeeldige Meisjes, naar het Fransch van Gravin de Ségur, geïllustreerd werd door ASHA. Het betreft een album van 32 pagina’s met hoofdstukken van één pagina, wat duidelijk op de traditie van de vroegere kinderprenten teruggaat, hoewel deze verhalen wellicht nooit als losse prent verkocht werden. De geschiedenis van het stripverhaal te Turnhout na de Tweede Wereldoorlog is nog ongekend terrein. Door de installatie van een grootformaat rotatiepers konden de drukorders voor Suske en Wiske in de jaren tachtig door Brepols verwerkt worden: per seconde werden op één rotatiepers vijf exemplaren van 56 pagina’s in kleur afgedrukt. Niettemin is het drukkerij Proost die zich in Turnhout sinds de jaren zeventig en tachtig gespecialiseerd heeft in de productie van het stripverhaal. Na de overname van de drukkerij van de groep Jean Dupuis in 1990 is Proost marktleider op wereldvlak.


De laatste stuiptrekkingen  van het mannekensblad.
Hier werd deze nog gebruikt als reclame voor een Liebig-product.


Tenslotte
Wij spraken in bovengenoemde uiteenzetting steeds over mannekensbladen of mannekenspapieren en willen toch vertellen dat deze plaatselijke naam dezelfde lading dekt als het elders gebruikte volks– en kinderprent. Technisch werden de eerste mannekensbladen gedrukt op handgeschept papier met houtblokjes en ingekleurd met sjablonen. De evolutie bracht in latere perioden gewoon ordinair papier, de lithografie en de kleurendruk. Met ongeveer 500 verschillende prenten in de negentiende eeuw was Brepols zeker de belangrijkste drukker van mannekensbladen in België. Zijn naaste concurrenten moesten zich met een kleiner assortiment van prenten tevreden stellen, namelijk Beersmans met 110 prenten, Glénisson & Van Genechten met ca. 267 volks– en kinderprenten, Wellens-Delhuvenne & Cie met ca. 94 prenten.

De hoeveelheid geproduceerde mannekensbladen was enorm. Deskundigen raamden de jaarlijkse omzet van de Nederlandse en Belgische uitgeverijen tussen de vijftig en honderd miljoen. Misschien is dit wat te hoog. De verkoop bij Brepols, toch de belangrijkste uitgever op dit vlak in België in de 19de eeuw, haalden in de topjaren 900.000 à 1.000.000 exemplaren. Het leeuwenaandeel van de Belgische produktie was herkomstig uit het ‘Epinal’ van de Nederlanden, zoals Turnhout terecht genoemd mag worden.

© Patricia Vansummeren, Harry de Kok en Jan Smet

met toestemming van auteurs en Historische Drukkerij Turnhout