De Rijksmuseum wintertentoonstelling 2001-2002 is gewijd aan een van de
meest fantastische en tegendraadse stijlen in de Nederlandse
kunstgeschiedenis: het rococo. Deze op de natuur geënte, anti-klassieke
vormgeving onstond in Parijs en verspreidde zich vanaf ongeveer 1730
over geheel Europa. Nederland
was meer dan 50 jaar in de ban van deze eigenaardige stijl.
De tentoonstelling schetst voor het eerst een beeld van deze periode
aan de hand van tuinbeelden, portretten, betimmeringen, meubels en
objecten van edelmetaal, porselein en glas. Conservator edele metalen,
Jan Rudolph de Lorm, gaat in op het goud en zilver van het rococo.
toegeschreven aan Jean Saint
Gouden snuifdoos, Amsterdam, 1748, Particuliere verzameling
Een buitenlandse stijl in Nederland
Kunstenaars rond het hof van de Franse koning Lodewijk XV stonden aan
de wieg van de nieuwe mode die daarom ook wel Lodewijk XV-stijl wordt
genoemd. Enkele edelsmeden worden beschouwd als de grondleggers van het
rococo. Claude II Ballin (1661-1754) was een van hen. Op de
tentoonstelling is een spectaculair zilveren tafelstuk of Surtout de
table van hem te zien. Dit in 1747 vervaardigde voorwerp is als een
krachtige abstracte sculptuur, verlevendigd met fantastische en
naturalistische elementen, met wortelachtige poten en draken aan de
bovenzijde die slingerachtige kaarsenhouders in hun bek hebben. De
grondvorm wordt geheel overwoekerd door asymmetrisch toegepaste
naturalistische versieringen, indruisend tegen alle klassieke regels.
Prins Willem IV correspondeerde in 1733 over de bestelling van een
groot servies van deze befaamde Ballin. Hoewel dit servies
waarschijnlijk nooit is uitgevoerd, bereikte de Franse stijl Nederland
ongetwijfeld via voorwerpen die uit Parijs werden betrokken. Daarnaast
verscheen er vanaf het midden van de jaren dertig een stroom van
prenten met rococo-motieven. Ook op deze wijze maakte men in Nederland
kennis met het rococo. Op de tentoonstelling zijn enkele voorbeelden
van dergelijke prenten te zien.
Franse goudsmeden in Amsterdam
De Amsterdamse goudsmeden hebben een voortrekkersrol vervuld bij het
introduceren van de nieuwe mode in Nederland. Hun afkomst was daarbij
van wezenlijk belang; het overgrote deel van deze kring bestond uit
hugenoten, gevluchte Franse protestanten. In hun geboorteland, waar zij
ongetwijfeld contact mee hielden, lagen de bronnen van het rococo. De
stijl diende zich het eerst aan in kleine gouden accessoires zoals
horlogekasten, wandelstokknoppen en snuifdozen. Jean Saint (ca. 1698 -
na 1769) was een van de toonaangevende Amsterdamse goudsmeden. Een aan
hem toegeschreven snuifdoos is versierd met een voorstelling van
Mercurius die Argos in slaap fluit. De scène uit een van de
Metamorfoses van Ovidius wordt gekenmerkt door de beweeglijke pose van
de mythologische figuren. Deze dynamiek wordt geaccentueerd door de
asymmetrische omranding, opgebouwd uit C-voluten, een kapiteel en
rocailles.
Aan dit laatste fantasierijke ornament dat het midden houdt tussen een
rots en een schelp ontleent het rococo haar naam. Het aanbrengen van
versieringen, ‘het drijven’ was een aparte tak binnen de goudsmeedkunst
en een typisch 18de-eeuwse specialiteit. Juist de drijvers zullen een
bepalende rol hebben gespeeld bij de het initiëren van het rococo in
edelmetaal. Zij onderstreepten hun artistieke inbreng door hun werk
voluit te signeren. Philippe Metayer (overleden 1763) was de
belangrijkste Amsterdamse drijver. Op de tentoonstelling zijn twee door
hem gedecoreerde bokalen te zien. Voor een Zeeuws huwelijkspaar maakte
hij samen met zijn broer, de goudsmid Louis Metayer (goudsmid vanaf
1730) een gouden exemplaar (afbeelding blz.22). Een derde hugenoot, de
schilder Louis Fabrice Dubourg (1693-1775), ontwierp de gedreven
scènes. In opdracht van het totnogtoe onbekende Amsterdamse
studentengenootschap ‘De Unie’ versierde hij een zilveren bokaal. Als
achtergrond van de wapenschilden van de leden dreef Metayer grillige
wolken waaruit fantastische mens- en diermaskers opdoemen.

Jan Willem Burger
Zilveren wandarm, Den Haag, 1759
Museum Het Burgerweeshuis, Arnhem
Amsterdam versus Den Haag
Binnen Nederland ontwikkelde zich niet één rococo: er ontstonden
allerlei lokale varianten. Amsterdam en Den Haag waren als
respectievelijk rijkste handelsmetropool en als hofstad de
belangrijkste centra voor luxe goederen in de Republiek. Aan de hand
van voorwerpen van edelsmeedkunst kunnen de verschillen tussen de
decoratieve kunsten uit beide steden goed worden bestudeerd. Goud en
zilver is namelijk vrijwel altijd gemerkt met het stadskeur, de
jaarletter en het meesterteken, zodat bekend is waar, wanneer en door
wie het is vervaardigd. Het Amsterdamse zilver van het rococo
weerspiegelt het kosmopolitische karakter van de havenstad en levert
een zeer gevarieerd beeld op.
door Johannes Schiotling
Zilveren melkkan, Amsterdam, 1764
Particuliere verzameling
Zo introduceerde de Zweed Johannes
Schiotling (1730-1799) de weelderige rococo stijl uit zijn
geboorteland. Dit is goed zichtbaar aan een melkkannetje dat hij maakte
in 1764, twee jaar nadat hij in Amsterdam meester zilversmid was
geworden. Met het sterk gedraaide peervormig lichaam, versierd met
schuimmotieven op hals en deksel en zijn takvormige pootjes is het voorwerp een mooi voorbeeld van de Noord-Europese rococo variant in Amsterdam.
toegeschreven aan Valentijn Caspar BömckeZilveren terrine op schotel, Amsterdam, 1764Gilbert Collection, LondenDe Duitser Valentijn Caspar Bömcke (ca. 1726- 1782) daarentegen werkte
in een puur Franse stijl. In 1764 vervaardigde hij een terrine op
schotel, waarbij hij ontwerpen van de befaamde Franse architect en
sculpteur orfèvre du roi François Thomas Germain (1726-1791) navolgde.
Meest kenmerkend voor dit ovale, sterk gewelfde voorwerp is de in het
deksel gedreven schelpvorm waarop gevogelte, wortels en bonen liggen.
De dekselknop heeft de vorm van een artisjok. Deze versieringen
verwijzen ongetwijfeld naar de inhoud van de terrine. In Amsterdam
ontstond er geen eigen herkenbare rococo variant. Zeker is dat men er
een voorkeur had voor rijke versieringen. In sommige gevallen kon dit
leiden tot overdaad.