Een aan Jacobus Rensing (geboren 1723) toegeschreven kraantjeskan is geheel overwoekerd met ornamenten. Dit horror vacui vormt een groot contrast ten opzichte van de sobere elegantie van het Haagse zilver dat gekenmerkt wordt door de afwisseling van gladde, sierlijke vormen en simpele naturalistische versieringen. Engelbart Joosten (1717-1789) was de eerste echte Haagse servieswerker van zijn tijd. In 1766 en 1768 maakte hij een paar terrines op schotel, vermoedelijk voor Johan Gijsbert van Neukirchen genaamd Nyvenheim (1705-1792). De voorwerpen hebben eenvoudige gladde vormen die optimaal recht doen aan het gladde spiegelende materiaal. De opgelegde takken zijn tegelijkertijd versiering en functionele onderdelen: dekselknop, oren, randen en poten (omslagfoto). Het Haagse zilver is eenvoudig en tegelijkertijd elegant; in één woord stijlvol. De aristocratie uit alle delen van Nederland betrok zijn zilver dan ook voornamelijk uit de hofstad. Zo werd een paar wandarmen van de meester Jan Willem Burger (meester 1739) geleverd aan de Gelderse regentenfamilie Brantsen. Deze ‘schoorsteenslingers’ zoals ze in de 18de eeuw wel genoemd werden, blinken uit door plasticiteit, beweeglijkheid en volmaakte harmonie tussen de verschillende onderdelen. Hier is Nederland werkelijk aan ‘de zwier’.







Jan Willem Burger
Zilveren kandelaber van het service Hollandais,
Den Haag, 1757
Groothertog van Luxemburg, Luxemburg

Het servies van een koopman

Uniek is een niet eerder tentoongesteld zilveren servies dat in 1770 cadeau werd gedaan aan het Rotterdamse bruidspaar Aert Johan Verstolk (1745-1786) en Maria Elisabeth Hoffmann (1751- 1780). Dankzij een bij het servies bewaard notitieboekje weten we van elk object waar het is aangeschaft en wie de schenker is. Het omvangrijke ensemble werd vermoedelijk door het welgestelde koopmanspaar zelf uitgezocht waarna het cadeau over de gulle gevers werd verdeeld. Het Rotterdamse paar koos, zoals de meeste adellijke families dat ook deden, voor een servies in de voorname stijl van de hofstad.

Verschillende Haagse meesters zoals Cornelis de Haan (1735- 1788), Rutgerus Memeling (meester 1763) en Leendert Brouwer (meester 1760) werkten er aan mee. Opmerkelijk genoeg leverde ook de toonaangevende Rotterdamse smid Rudolph Sondag (1726-1812) enkele stukken, waarbij hij zich zoveel mogelijk aanpaste aan de Haagse vormgeving. Het zilver van het echtpaar Verstolk gunt ons een blik in de geschiedenis en de samenstelling van de zilverschat waarmee een welgesteld koopmanspaar in Nederland zich destijds omringde.


Verschillende smeden
Delen van een ‘huwelijksservies’ van zilver, Den Haag, 1764-1771,
diverse smeden Rotterdam, 1769-1773 Rudolph Sondag
Particuliere verzameling

Het servies van een vorst
Naast het bovengenoemde ‘burgerlijk’ servies wordt in de tentoonstelling een aantal delen getoond van het in Den Haag vervaardigde service Hollandais uit de verzameling van de groothertog van Luxemburg. Het zilveren servies geeft met haar grote en kleine terrines, sauskommen, kandelabers, koffiekannen, theepotjes, melkkannetjes en een groot aantal borden een unieke indruk van een Haagse vorstelijk servies uit de periode van het rococo. Het ensemble werd vervaardigd voor Carl Christian, vorst van Nassau- Weilburg (1735-1788), van wie de groothertog afstamt. De bestelling van het servies hangt samen met de huwelijksplannen van de vorst met de Hollandse prinses Caroline, de zuster van de latere stadhouder prins Willem V. In 1755 was de vorst naar Den Haag gekomen om aan prinses Anna de hand te vragen van haar dochter Caroline. Pas na de dood van Anna, in 1760, werd door de Staten-Generaal toestemming verleend. In de tussenliggende jaren was Carl Christian genoodzaakt zijn aanzien in Den Haag te vergroten om de kans op een huwelijk te doen toenemen. De bestelling van het zilveren servies heeft in deze periode plaatsgevonden zo blijkt uit de op de voorwerpen afgeslagen jaarletters. In 1759 kocht de vorst een aantal huizen aan het Korte Voorhout in Den Haag. Zeven jaar later ving de bouw aan van een door de stadhouderlijk hofarchitect Pieter de Zwart ontworpen paleis. Uiteindelijk werd er slechts een vleugel voltooid, de tegenwoordige Koninklijke Schouwburg.

Rijksmuseum Kunstkrant november / december 2001
© Rijksmuseum Amsterdam