Kunstpedia - http://www.kunstpedia.com
De geschilderde geheimen van Michael Sweerts
http://www.kunstpedia.com/articles/305/1/De-geschilderde-geheimen-van-Michael-Sweerts/Page1.html
Rijksmuseum Amsterdam
The Rijksmuseum Amsterdam, owned by the state, is the largest and most important art and historical museum of the Netherlands. The museum owns major works of Rembrandt van Rijn and counts more than 1 million objects in its collections.

Het Rijksmuseum Amsterdam is het grootste en belangrijkste kunst- en geschiedkundige Rijksmuseum van Nederland en is eigendom van de staat. Het bevat onder meer topstukken van de kunstschilder Rembrandt van Rijn en telt ruim 1 miljoen voorwerpen in zijn collectie.

Rijksmuseum
Jan Luijkenstraat 1
Amsterdam
t. 020-6747000
www.rijksmuseum.nl

 
By Rijksmuseum Amsterdam
Published on 31 May 2008
 
Michael Sweerts (1618-1664) is één van de meest bijzondere en tegelijk raadselachtige schilders van de 17de eeuw. Niet alleen vanwege zijn mysterieuze schilderstijl, maar ook door de mythevorming rond zijn persoon. Een eenling werd hij genoemd, een melancholicus, een godsdienstfanaat, een ruziezoeker en een homoseksueel. Hij is één van die onbekende meesters die pas omstreeks 1900 werd ontdekt. Niet zo vreemd, want veel van zijn schilderijen zijn niet gesigneerd en maar drie dragen een datum. Bovendien bevonden de meeste schilderijen zich toen bij particulieren thuis en was de naam van de kunstenaar allang vergeten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Sweerts’ werk aanvankelijk nogal eens aan andere schilders werd toegeschreven. Aan Nicolas Poussin bijvoorbeeld, omdat Sweerts net als deze Franse schilder een voorkeur had voor uitgekiende composities van figuren die aan klassieke beelden doen denken.

door Marleen Dominicus-van Soest
door Marleen Dominicus-van Soest - Michael Sweerts (1618-1664) is één van de meest bijzondere en tegelijk raadselachtige schilders van de 17de eeuw. Niet alleen vanwege zijn mysterieuze schilderstijl, maar ook door de mythevorming rond zijn persoon. Een eenling werd hij genoemd, een melancholicus, een godsdienstfanaat, een ruziezoeker en een homoseksueel. Door recent onderzoek zijn deze visies nu bijgesteld en genuanceerd. De tentoonstelling in het Rijksmuseum licht een tip van de sluier op.

Michael Sweerts is één van die onbekende meesters die pas omstreeks 1900 werd ontdekt. Niet zo vreemd, want veel van zijn schilderijen zijn niet gesigneerd en maar drie dragen een datum. Bovendien bevonden de meeste schilderijen zich toen bij particulieren thuis en was de naam van de kunstenaar allang vergeten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Sweerts’ werk aanvankelijk nogal eens aan andere schilders werd toegeschreven. Aan Nicolas Poussin bijvoorbeeld, omdat Sweerts net als deze Franse schilder een voorkeur had voor uitgekiende composities van figuren die aan klassieke beelden doen denken. Ook met Johannes Vermeer, Gerard ter Borch en Karel du Jardin is zijn werk wel geassocieerd. Bij portretten was ook vaak vergeten wie was voorgesteld. Van het Portret van Joseph Deutz wist de familie nog wel dat Sweerts de schilder was, maar dat de geportretteerde Joseph Deutz was en niet één van zijn vier broers is pas onlangs vastgesteld. Onderzoek naar Sweerts’ schildertechniek bracht bovendien aan het licht dat het schilderij in Rome werd gemaakt en niet in Amsterdam, zoals de veronderstelling was. Archiefonderzoek wees tenslotte uit dat deze Amsterdamse koopman en zijn familie tot Sweerts’ belangrijkste opdrachtgevers behoorden.


Portret van een man met schedel (zelfportret?), ca. 1660
Dr and Mrs Alfred Bader, Milwaukee (Wi.), V.S.

Rome

Lang is verondersteld dat Sweerts een Noord-Nederlandse schilder was. Inmiddels weten we dat hij een Zuid-Nederlander was, in Brussel werd geboren en rooms-katholiek werd gedoopt. Bij wie hij tot schilder werd opgeleid is echter nog steeds een vraag. De eerste berichten over Sweerts dateren uit 1646. Hij woonde toen in Rome. Maar wanneer hij daar aankwam, is niet bekend, evenmin hoe hij reisde. Vermoed wordt dat hij enige tijd in Frankrijk verbleef. In elk geval was hij in 1646 in Rome, waar hij dat jaar in opdracht van de Accademia di San Luca geld inzamelde onder de buitenlandse kunstenaars. Maar of hij nu lid van deze schildersacademie was of van de Schildersbent, de club van Nederlandse schilders, is niet duidelijk. Wel weten we dat Sweerts in dezelfde buurt woonde als de andere Nederlandse schilders, bij het Piazza del Popolo. Sweerts had in Rome veel succes. Aanvankelijk waren het vooral rijke Amsterdamse kooplieden die tijdens hun ‘grand tour’ zijn werk kochten of zich door hem lieten portretteren. Een  van hen was de textielhandelaar Antonij de Bordes. Sweerts maakte een uitzonderlijk portret van hem: De Bordes zit er ontspannen bij, terwijl een knecht zijn laarzen uittrekt. Door de openstaande deur is een glimp van de Romeinse omgeving te zien.


Portret van Joseph Deutz (1624-84), ca. 1648-49
Rijksmuseum, Amsterdam

Mogelijk maakte De Bordes zijn reis in het gezelschap van drie van de vijf gebroeders Deutz. Zij poseerden in dezelfde tijd voor Sweerts. Hun moeder, Elisabeth Coymans, noteerde op 22 december 1650 in haar Journael: ‘3 Conterfeijtsels na t’ leven van Michiel Sweerts met haer vergulde lijsten f 140:-’ die voor ‘reequening van Jean, Jeronimo en Joseph Deutz’ in Rome waren gekocht en gemaakt. Sweerts had goede contacten met de familie Deutz, want hij trad ook op als hun agent bij het aankopen van schilderijen en zijden stoffen. Behalve de portretten bezaten de drie broers nog veel meer werk van Sweerts. Zo had Joseph een Schildersatelier, een Romeijns Naeijstertje en Sweerts’ meesterwerk, De zeven werken van barmhartigheid, een serie van zeven schilderijen. Al deze werken hingen in het ‘Purpere groot Salet’, het belangrijkste vertrek van zijn huis aan de Herengracht 450. In de inventaris van 1684 behoorden ze tot de hoogst getaxeerde schilderijen van Deutz’ omvangrijke schilderijenverzameling

Omstreeks 1651 werd prins Camillo Pamphilj, de neef van paus Innocentius X, Sweerts’ voornaamste opdrachtgever. Hij maakte voor hem niet alleen schilderijen, maar ook toneeldecors. Bovendien leidde hij waarschijnlijk een privé-academie in Pamphilj’s paleis. Dat rijke kunstliefhebbers een schildersacademie aan huis hadden was toen niet ongewoon. Daarbij kwam dat Pamphilj een amateur-schilder was.

De contacten met de invloedrijke prins bezorgden Sweerts opdrachten van diens relaties en familieleden. Dat Sweerts  in aanzien stond blijkt uit de titel van Cavaliere of ridder die paus Innocentius X hem verleende.


Het begraven van de doden, ca. 1648-49
uit de reeks van ‘De zeven werken van barmhartigheid’,
Wadsworth Atheneum Museum of Art, Hartford (Ct.), V.S.

Levensecht en onwezenlijk
Sweerts’ werk wordt vaak geassocieerd met dat van de bamboccianti, de Nederlandse kunstenaars die eigentijdse volkstaferelen schilderden in navolging van Bamboccio (= mismaakte pop), de bijnaam van Pieter van Laer. In academische kringen was er weinig waardering voor deze laag- bij-de-grondse onderwerpen en volkse types. Sweerts’ composities onderscheiden zich echter van die van zijn collega’s door zijn voorliefde voor antieke sculptuur en het nobele voorkomen van zijn vaak monumentale figuren. Dramatische licht-donker contrasten zorgen voor een mysterieuze sfeer.

Die eigenzinnige stijl manifesteert zich al duidelijk in de Zeven werken van barmhartigheid. Er is een voorkeur voor donkere avondluchten en achtergronden, waartegen de figuren oplichten. Het onderwerp is gebaseerd op het evangelie van Mattheus, 25:31-46. Daarin wordt het Laatste Oordeel aangekondigd, waarbij Christus de mens zal oordelen naar zijn werken. Alleen de rechtvaardigen zal het eeuwige leven ten deel vallen. Sweerts gaf de goede werken weer in een alledaagse Romeinse omgeving met levensechte behoeftigen. Topografische elementen herinneren aan de buurt waar hij toen woonde. De reeks is Sweerts’ meest ambitieuze onderneming. Eind 19de eeuw zijn de schilderijen uiteengeraakt. Nu zijn ze voor de tentoonstelling weer even tezamen.

door Marleen Dominicus-van Soest
Dat Sweerts meer wilde zijn dan een schilder van volkstaferelen, maakte hij duidelijk met het schilderij Romeinse worstelaars. Het is een echt volksgebeuren, zoals dat toen op straat in Rome plaatsvond: worstelaars temidden van een groot publiek. De uitbeelding is levensecht, maar heeft tegelijk iets onwezenlijks. Dat komt niet alleen door de dramatische belichting, maar ook door de bewegingen van de mannen die bevroren lijken. Sweerts baseerde zich voor de hoofdfiguren op klassieke beelden. Door deze grootschalige naakten bracht Sweerts het platvloerse onderwerp op een hoger niveau.

Sweerts maakte maar liefst drie ‘schildersateliers’. In deze schilderijen nemen gipsen afgietsels een prominente plaats in. In het Schildersatelier uit 1652 zijn dit afgietsels van antieke en moderne beelden. De bezoeker bestudeert een cupido van de 17de-eeuwse Vlaamse beeldhouwer Duquesnoy, die bij de torso op tafel hoort. De schilder wijst ernaar. Maar er is meer te zien: meetkundige instrumenten, een luit en bladmuziek. Daarmee wil Sweerts zeggen dat kunstenaars moeten streven naar harmonie, naar juiste maten en proporties. Met de bibliotheek - in het doorkijkje - geeft hij aan dat schilders geen handwerkslieden zijn, maar geleerde kunstenaars.


Romeinse worstelaars,ca. 1648-50
Staatliche Kunsthalle,Karlsruhe, Duitsland

Sweerts’ laatste jaren
Sweerts moet tussen 1652 en 1655 teruggekeerd zijn naar geboortestad Brussel. In elk geval was hij in 1655 in  Brussel, waar hij peetvader van een neefje werd. Twee jaar later hield hij opnieuw een neef ten doop. De band met de familie moet hecht zijn geweest. Een nichtje was benoemd tot erfgenaam.

Uit een verzoekschrift om lastenvermindering blijkt dat hij in 1656 een ‘accademie van die teeckenige naer het leven’  had, ‘tot die welcke veele Jongelingen daegelijcx sijn frequenterende’.


Jongen met hoed, ca. 1655-56
Wadsworth Atheneum Museum of Art, Hartford (Ct.), V.S.

Deze tekenacademie, waar naar model werd getekend,  was ondermeer bedoeld om de Brusselse tapijtindustrie nieuw leven in te blazen. In die tijd maakte Sweerts ook een twintigtal etsen dat in de eerste plaats bedoeld was om zijn naam bekendheid te geven, maar ook het onderwijs diende. Dat onderwijsdoel geldt zeker voor de reeks van
twaalf verschillende studiekoppen, Diversae facies [...], waarvan het titelblad expliciet aangeeft dat deze dient ‘tot gebruik van jongelingen en anderen’. Ze zijn proeven van zijn kunnen en een staalkaart van door hem ontworpen typen en gelaatsuitdrukkingen. De onderwerpen die hij in Brussel schilderde zijn onveranderd dezelfde als daarvoor: taferelen uit het dagelijks leven, een enkel historiestuk en portretten en tronies, koppen van kinderen, mannen en vrouwen.


Schildersatelier, 1652
The Detroit Institute of Arts,Detroit (Mi.), V.S.

1659 was een keerpunt in Sweerts leven. Hij was in die tijd een devoot christen met veel oog voor de behoeftigen en sloot zich als lekenbroeder aan bij de Franse Missions Étrangères. Het Brusselse gilde kreeg een zelfportret ten afscheid en Sweerts vertrok naar Amsterdam om bij de bouw van het schip voor de missie aanwezig te zijn. Begin 1662 vertrok hij met de missie naar China. Nog geen halfjaar later bleek hij zo lastig dat hij de missie moest verlaten. Hij stierf in 1664 in Goa, India. Sweerts’ laatste levensjaren waren even mysterieus als zijn schilderijen. Het Portret van een man met schedel dat aan het eind van zijn carrière ontstond en mogelijk een zelfportret was, is een stille getuige.

Rijksmuseum Kunstkrant maart / april 2002
© Rijksmuseum Amsterdam