Dat Sweerts meer wilde zijn dan een schilder van volkstaferelen, maakte hij duidelijk met het schilderij Romeinse worstelaars. Het is een echt volksgebeuren, zoals dat toen op straat in Rome plaatsvond: worstelaars temidden van een groot publiek. De uitbeelding is levensecht, maar heeft tegelijk iets onwezenlijks. Dat komt niet alleen door de dramatische belichting, maar ook door de bewegingen van de mannen die bevroren lijken. Sweerts baseerde zich voor de hoofdfiguren op klassieke beelden. Door deze grootschalige naakten bracht Sweerts het platvloerse onderwerp op een hoger niveau.

Sweerts maakte maar liefst drie ‘schildersateliers’. In deze schilderijen nemen gipsen afgietsels een prominente plaats in. In het Schildersatelier uit 1652 zijn dit afgietsels van antieke en moderne beelden. De bezoeker bestudeert een cupido van de 17de-eeuwse Vlaamse beeldhouwer Duquesnoy, die bij de torso op tafel hoort. De schilder wijst ernaar. Maar er is meer te zien: meetkundige instrumenten, een luit en bladmuziek. Daarmee wil Sweerts zeggen dat kunstenaars moeten streven naar harmonie, naar juiste maten en proporties. Met de bibliotheek - in het doorkijkje - geeft hij aan dat schilders geen handwerkslieden zijn, maar geleerde kunstenaars.


Romeinse worstelaars,ca. 1648-50
Staatliche Kunsthalle,Karlsruhe, Duitsland

Sweerts’ laatste jaren
Sweerts moet tussen 1652 en 1655 teruggekeerd zijn naar geboortestad Brussel. In elk geval was hij in 1655 in  Brussel, waar hij peetvader van een neefje werd. Twee jaar later hield hij opnieuw een neef ten doop. De band met de familie moet hecht zijn geweest. Een nichtje was benoemd tot erfgenaam.

Uit een verzoekschrift om lastenvermindering blijkt dat hij in 1656 een ‘accademie van die teeckenige naer het leven’  had, ‘tot die welcke veele Jongelingen daegelijcx sijn frequenterende’.


Jongen met hoed, ca. 1655-56
Wadsworth Atheneum Museum of Art, Hartford (Ct.), V.S.

Deze tekenacademie, waar naar model werd getekend,  was ondermeer bedoeld om de Brusselse tapijtindustrie nieuw leven in te blazen. In die tijd maakte Sweerts ook een twintigtal etsen dat in de eerste plaats bedoeld was om zijn naam bekendheid te geven, maar ook het onderwijs diende. Dat onderwijsdoel geldt zeker voor de reeks van
twaalf verschillende studiekoppen, Diversae facies [...], waarvan het titelblad expliciet aangeeft dat deze dient ‘tot gebruik van jongelingen en anderen’. Ze zijn proeven van zijn kunnen en een staalkaart van door hem ontworpen typen en gelaatsuitdrukkingen. De onderwerpen die hij in Brussel schilderde zijn onveranderd dezelfde als daarvoor: taferelen uit het dagelijks leven, een enkel historiestuk en portretten en tronies, koppen van kinderen, mannen en vrouwen.


Schildersatelier, 1652
The Detroit Institute of Arts,Detroit (Mi.), V.S.

1659 was een keerpunt in Sweerts leven. Hij was in die tijd een devoot christen met veel oog voor de behoeftigen en sloot zich als lekenbroeder aan bij de Franse Missions Étrangères. Het Brusselse gilde kreeg een zelfportret ten afscheid en Sweerts vertrok naar Amsterdam om bij de bouw van het schip voor de missie aanwezig te zijn. Begin 1662 vertrok hij met de missie naar China. Nog geen halfjaar later bleek hij zo lastig dat hij de missie moest verlaten. Hij stierf in 1664 in Goa, India. Sweerts’ laatste levensjaren waren even mysterieus als zijn schilderijen. Het Portret van een man met schedel dat aan het eind van zijn carrière ontstond en mogelijk een zelfportret was, is een stille getuige.

Rijksmuseum Kunstkrant maart / april 2002
© Rijksmuseum Amsterdam