
Hendrick Goltzius
De aanbidding der Herders, ca. 1598-1600
Gravure, 21,4 x 15,3 cm
Rijksmuseum Amsterdam
Dit is een van de onvoltooide gravures uit
Goltzius’ werkplaats. Te zien is hoe Maria
haar zoon toont aan twee herders. In het
midden licht Jozef het tafereel bij met een
kaars die uit het beeld lijkt te steken.
Practical jokerEen van de eerste series die Goltzius’ uitgeverij op de markt bracht, was ‘De beloning van Arbeid, Vlijt, Oefening en Kunst’ (1582), een reeks van vier gravures met als essentiële boodschap: oefening baart kunst. ‘Een artistiek statement’, vertelt Leeflang, ‘en dat was voor die tijd heel bijzonder.’ Goltzius voerde een diepgravende dialoog met de geschiedenis van zijn vak. En die uitte zich onder meer in een denkbeeldig tweegesprek met Lucas van Leyden en Dürer. Leeflang: ‘Hij keek naar hun werk en probeerde daarvan te leren, het te overtreffen. Hij pikte dingen van ze, gooide ze om, imiteerde, emuleerde. Maar met veel respect, niet vanuit de houding: ‘dat zal ik nu eens lekker tien keer beter doen’.’ Goltzius legde eer in zijn kunstenaarschap. Niet voor niets luidde zijn motto: ‘Eer boven Golt’. Waardering van vakbroeders vond hij belangrijker dan geldelijk gewin – hoewel hij over dat laatste ook niet te klagen had. Maar soms konden die vakbroeders hem wel schieten: Goltzius was namelijk een liefhebber van ‘ practical jokes’. Tijdens zijn reis naar Italië – hij was toen al een beroemdheid en reisde derhalve incognito – nodigde de hofgraveur van Beieren, de Hollander Johannes Sadeler, hem uit voor een bezoek. Bij die gelegenheid liet Goltzius zijn knecht opdraven als ‘Goltzius’, terwijl hij zichzelf presenteerde als kaaskoopman. Achteraf geconfronteerd met de ware toedracht, bleek Sadeler not amused. Goltzius hield er wel van mensen bij de neus te nemen – zeker als het zogenaamde ‘kunstkenners’ betrof. Want van snobisme in de kunst moest hij niets hebben. Karel van Mander, vriend en biograaf, tekende in zijn Schildersboeck op hoe Goltzius een soort pastiche maakte van een aantal prenten van Dürer, verrijkt met een geniepig weggestopt zelfportretje en zonder monogram. Leeflang: ‘Hij stuurde die prent naar Rome en Venetië, waar deze werd begroet als een onbekende gravure van Dürer. Liefhebbers legde er veel geld voor op tafel. En ‘de kenners’ zeiden: ‘Tegenwoordig is niemand meer in staat om zoiets moois te maken. Z elfs Goltzius niet’.’
Hendrick Goltzius
Sine Cerere et Libero friget Venus, 1606
Pentekening op doek, 219 x 163 cm
Hermitage, Sint-Petersburg
Dit buitengewone en grote doek is vermoedelijk gemaakt met Rudolf II in het achterhoofd, misschien zelfs wel in zijn opdracht. Zwellende groefGoltzius stapte af van het recht-toe-recht-aan arceren en introduceerde de ‘zwellende groef’, een grote vernieuwing binnen de graveertechniek. Zijn burijn gleed eerst met lichte druk oppervlakkig in het koper, nam dan in kracht – en daardoor ook in breedte – toe, om vervolgens weer lichtvoetiger, en dus dunner, te eindigen. ‘Met deze techniek’, legt Leeflang uit, ‘gaf hij elke lijn een eigen dynamiek. Ronde vormen kregen een fantastisch plastisch effect; bijna driedemensionaal, tastbaar ból.’ Tot in de 17de en 18de eeuw vormde deze graveertechniek de basis voor het vervaardigen van kopergravures. ‘Iedereen greep er steeds weer op terug.’
Zelf produceerde de meester van de ‘zwellende groef’ zijn meest verfijnde en virtuoze prenten na zijn terugkeer uit Italië (1592), met als hoogtepunt een onvoltooide gravure uit de niet-afgemaakte reeks ‘De aanbidding der herders’. Deze laatst bekende prent van zijn hand, uit 1600, markeert de periode dat Goltzius het graveren definitief vaarwel zei en, wat laat en onverwacht, overstapte naar de schilderkunst.
Leeflang vermoedt dat Goltzius met het graveren artistiek was uitgepraat. ‘Hij had er gewoon genoeg van. Met zijn gravures had hij alles uitgeprobeerd wat in zijn vermogen lag, en met succes. Veel nieuws was er op dat gebied voor hem dus niet meer te halen. En hij was niet iemand die lang bleef hangen in wat hij al perfect beheerste; hij verlegde graag zijn grenzen.’ Kortom, Goltzius was toe aan de spreekwoordelijke nieuwe uitdaging. Hij kon zich dat financieel goed veroorloven, want onder leiding van zijn stiefzoon Jacob Matham draaide de uitgeverij door.
Hendrick Goltzius
Lijdende Christus, 1607
Olieverf op doek, 120,1 x 86,3 cm
Centraal Museum, Utrecht
Christus is zittend afgebeeld. Met betraande ogen kijkt hij hemelwaarts. Zijn lichamelijke aanwezigheid doet niet onder voor zijn spirituele uitstraling: zijn brede schouders en sterke armen drukken lichaamskracht en onverzettelijkheid uit. Vlezige ChristusHoewel Goltzius ook de kwast met verve hanteerde, is hij als schilder lang veronachtzaamd, vertelt Leeflang. ‘Hij heeft nog wel een behoorlijke invloed gehad op de 17de-eeuwse classicistische schilderkunst, maar de Gouden Eeuw haalde hem snel in. Zijn schilderijen ademen een katholieke sfeer, met veel weelderig naakt en vlezige Christusfiguren. Dat zal in de 17de eeuw niet in alle kringen even goed zijn gevallen.’ Pas in de afgelopen tien jaar groeit de belangstelling voor de schilderijen van Goltzius en verzamelen vooral Amerikaanse instellingen zijn doeken. Op de expositie in het Rijksmuseum – die later dit jaar New York en Toledo zal aandoen – is dan ook voor het eerst een groot aantal van Goltzius’ olieverven bijeengebracht.
Leeflang oordeelt dat het niveau van Goltzius’ schilderijen wat achterblijft bij dat van zijn tekeningen en prenten. ‘Als tekenaar en graficus behoort Goltzius nog steeds tot de absolute wereldtop, tot de écht groten. Als schilder komt hij toch iets minder uit de verf; soms gaat het zelfs verschrikkelijk mis. We hebben nu zijn beste werken bij elkaar en die zijn zeer boeiend en bijzonder. Uiterst genietbaar. Maar het is geen Rubens. Misschien als hij op jongere leeftijd was begonnen met schilderen… Maar dan hadden we al die schitterende tekeningen en prenten niet gehad. Dus godzijdank heeft hij dat niet gedaan.’
Rijksmuseum Kunstkrant maart / april 2003
© Rijksmuseum Amsterdam