Voorwerpen met een grote ouderdom dwingen veel respect af. In dit artikel worden de oudste Nederlandse schilderijen in het Rijksmuseum gepresenteerd, geschilderd in de 14de en 15de eeuw.


Utrechtse schilder
Drieluik met de kruisiging, ca. 1460
Gesloten toestand: de Verkondiging aan Maria.
Paneel, 73 x 20 cm (elk luik)
Rijksmuseum, Amsterdam (in bruikleen aan het Centraal Museum, Utrecht)


Utrechtse schilder
Drieluik met de kruisiging in geopende toestand. Paneel, 73 x 48 cm (middenstuk)
Op het linker luik de mis van de heilige Gregorius; op het rechter luik de heilige Christoffel.

De schilderkunst in de Nederlanden kwam tot grote bloei dankzij de uitvinding van het schilderen in olieverf aan het begin van de 15de eeuw; doorgaans wordt aangenomen dat Jan van Eyck de eerste was die deze techniek onder de knie kreeg. Olieverf droogt vrij langzaam waardoor de schilder veel tijd heeft voor fijne details, mooie, geleidelijke kleurovergangen kan maken en een foutje vrij gemakkelijk kan herstellen. Dat in een schilderij zulke prachtige effecten kunnen worden bereikt – een glanzende parel, een blozende wang, het wuivende groen van een boom – is aan de uitvinding van de olieverfschilderkunst te danken. En dat de mensen bij het horen van het woord ‘kunst’ vaak aan ‘schilderkunst’ denken, komt omdat er al eeuwenlang een grote bewondering is voor de betoverende wereld – net echt – in het platte vlak van een schilderij. Dat is niet altijd zo geweest.


Noord-Nederlandse schilder
Gedachtnistafel van de heren van Montfoort, ca. 1380
Paneel, 69 x 142 cm Rijksmuseum, Amsterdam

Wie in vroeger tijden over veel geld beschikte en met iets moois aan de muur wilde pronken, kocht liever een reeks tapijten. Ook een altaarstuk met goud, zilver en veel edelstenen maakte veel meer indruk dan een schilderij. De vroegste schilderijen zijn meer dan eens goedkope vervangers van vergelijkbare producten in veel kostbaarder materialen.

Gedachtnistafel
De schilder van de ‘Gedachtnistafel van de heren van Montfoort’, het oudste Nederlandse schilderij in het Rijksmuseum, beschikte nog niet over de olieverftechniek. Mooie overgangen kon hij nog niet maken en iedere penseelstreek moest meteen goed zijn. Het schilderij is vermoedelijk een wat minder dure uitvoering van een grafmonument in steen. In middeleeuwse kerken zijn wel eens stenen reliëfs te zien, soms in later tijd heftig toegetakeld, die de herinnering aan bepaalde personen levend willen houden. De gedachtnis- of memorietafel hielp de nabestaanden bij het gedenken van hun familieleden. Die van de heren van Montfoort is een plank met daarop een schildering van vier ridders die knielen voor Maria met het kindeke Jezus, waarbij de achterste ridder een duwtje in de rug krijgt van Sint Joris. De ridders knielen een beetje vormelijk, in een vrijwel eendere houding en de troon van Maria is een wat wonderlijke, al te grote zitbank, maar met liefde vergeven we die onbekende schilder zijn nog niet bijster geslaagde worsteling met de diepte in zijn schilderij.


Noord-Nederlandse schilder
Lysbeth van Duvenvoorde (overleden in 1472), ca. 1430
Perkament, 32,5 x 20,5 cm Rijksmuseum, Amsterdam (in bruikleen van het Mauritshuis, Den Haag)

Gedenkwaardig waren de heren van Montfoort zeker. Zij waren de Hollandse graaf Willem IV in 1345 gevolgd toen hij de Friezen aan zijn gezag wilde onderwerpen. De slag die op 26 september bij Warns werd geleverd, werd door de Hollanders echter jammerlijk verloren. Velen kwamen om, waaronder de graaf en drie heren De Rover van Montfoort. De vierde, Hendrik de Rover, keerde zwaar gewond terug naar zijn kasteel Heulestein, gelegen tussen Montfoort en Linschoten. Hij zei zijn leven te danken aan zijn beschermheilige, Sint Joris, en hij is vermoedelijk degene geweest die het schilderij heeft laten maken voor de kerk van Linschoten. Opmerkelijk is dat de vier ridders duidelijk eigen trekken hebben, als zou het om portretten gaan. Ze zijn echter alle vier in de kracht van hun leven weergegeven, terwijl we weten dat er onderling een aanmerkelijk leeftijdsverschil heeft bestaan.

Altaarstuk
Een memorietafel als die van de heren van Montfoort heeft in de kerk niet op het altaar gestaan maar was vermoedelijk vrij hoog opgehangen aan een zijmuur of aan een zuil. Het altaar was immers het middelpunt van de kerkelijke devotie en een altaarstuk zou in de eerste plaats de gelovige moeten helpen bij de beleving van zijn geloof. Het ‘Drieluik met kruisiging’ is ongetwijfeld wel als altaarstuk gemaakt. Alles in dit schilderij verwijst naar de geloofsbeleving en de vrome opdrachtgever, de stichter, heeft in geen enkel opzicht aandacht voor zichzelf of voor zijn zielenheil gevraagd. Het drieluik zal de meeste tijd van het jaar gesloten geweest zijn. De verkondiging van de blijde boodschap aan Maria door de aartsengel Gabriël was dan te zien, de aankondiging van de komst op aarde van Jezus Christus, die de zonden van de mensheid op zijn schouders zou nemen. Op bijzondere dagen – en zeker op Goede Vrijdag, wanneer de kruisiging van Christus werd herdacht – was het drieluik geopend: dan zag de gelovige hoe Jezus aan het kruis was genageld en hoe hij zo als zoon van God was geofferd om de zondige mensheid te redden. Overigens is op de achtergrond niet Jeruzalem afgebeeld, maar de stad Utrecht, met geheel rechts de Domtoren. Voor de gelovige was Christus’ dood aan het kruis immers geen historische gebeurtenis, maar een heilsmoment voor alle mensen van alle plaatsen en alle tijden.  

Op de binnenzijde van het rechter luik draagt de reus Christoffel (= Christophorus = Christusdrager) het Christuskind naar de andere zijde van een rivier, en bezwijkt bijna onder het gewicht. Hij zag in dat het Kind zijn meerdere was en herkende in Hem de Verlosser. De mis van de heilige Gregorius, op de binnenzijde van het linker luik, gaat ook over de herkenning van Christus als Verlosser. Een metgezel van Gregorius zou hebben getwijfeld aan de waarheid van het hostiewonder, waarbij wijn en brood niet alleen symbool zijn van het bloed en het lichaam van Christus, maar dat door het mystieke wonder ook werkelijk zijn. Christus zou toen boven het altaar zijn verschenen met alle voorwerpen die bij zijn lijden een rol hadden gespeeld. Uit de wond in zijn zijde zou echt bloed in de miskelk zijn gestroomd. Zo wordt in dit drieluik de kruisiging geplaatst in het theologisch kader van de lichamelijkheid van de Verlosser, wiens komst op aarde door de engel is aangekondigd, wiens kinderlichaam al de last van de wereld  meedroeg en wiens bloed en lichaam tijdens de mis in wijn en brood aanwezig zijn.


Noord-Nederlandse schilder, vermoedelijk uit Dordrecht
De heilige Agnes met Geertruy Haeck – van Slingelandt van der Tempel,knielend in gebed, ca. 1455
Paneel, 62,8 x 48,3 cm Rijksmuseum, Amsterdam

Twee vrouwenportretten

Het is lang niet altijd duidelijk waartoe oude schilderijen hebben gediend. Het portret van Lysbeth van Duvenvoorde, een adellijke dame, is vermoedelijk een verlovingsportret. In 1430 zou zij trouwen met Symon van Adrichem, wiens portret wel is gedocumenteerd maar helaas sinds lange tijd spoorloos is. Net als Lysbeth hield Symon een banderol in de hand met een verwijzing naar de liefde. De hoofse minnetekst op de banderol in Lysbeths hand luidt: Mi verdriet lange te hopen, wie is hi die sijn hert hout open (ik heb lang gesmacht naar hem die zijn hart openstelt). Of het inderdaad een verlovingsportret is zullen we wel nooit zeker weten. Traditioneel werd bij gehuwden de vrouw rechts afgebeeld en bij verloofden links, maar of dat rond 1430 ook al het geval was, weten we eigenlijk niet. Merkwaardig is bovendien dat het portret is geschilderd op perkament, een materiaal dat eigenlijk voor schilderijen niet zo geschikt is maar dat eerder past in een boek. De vraag waarom het schilderij is gemaakt, blijft in feite  onbeantwoord.

Bij het kleine schilderij ‘De heilige Agnes met Geertruy Haeck van Slingelandt van den Tempel’ weten we bijna zeker dat het een memorietafel is geweest. Geertruy Haeck zou als non zijn ingetreden in het Dordtse Agnietenklooster en daarom had zij een bijzondere band met de heilige Agnes. Zij verzoekt de heilige, met als attributen het lam en de  ing als teken van haar verloving met Christus, om voorspraak. Voor de opdrachtgeefster zou het ondenkbaar zijn dat zij even groot als de heilige zou worden afgebeeld. Daarom is zij aanmerkelijk kleiner. Haar trekken zijn ook niet erg uitgesproken. Ze heeft zich toch verraden doordat het wapen van haar familie in volle glorie aanwezig is. Althans, we weten nu in welke familie we deze non moeten zoeken, maar of Geertruy is afgebeeld, is niet helemaal zeker.


Meester van de vorstenportretten
Engelbert II (1451-1504), graaf van Nassau, heer van Breda, 1487
Paneel, 33,5 x 24 cm (zonder lijst) Rijksmuseum, Amsterdam

De lijst is een raam

Met het portret van Engelbert II van Nassau wordt het spel met de schijnwereld in het platte vlak ten volle gespeeld. Hij was overigens de tweede van die naam; zijn grootvader Engelbert trouwde met een rijke erfdochter en mocht zich sedertdien heer van Breda noemen. Veel later erfde een verre achterneef van Engelbert II die titel, maar deze was bekender als prins van Orange: Willem de Zwijger. Engelbert II is geschilderd door een kunstenaar die we niet bij naam kennen en die de noodnaam Meester van de Vorstenportretten heeft gekregen. De kunstenaar heeft aan de ene kant het platte vlak van het schilderij versterkt door op de lijst bloemetjes te schilderen, alsof het een rijk versierde bladzijde uit een gebedenboek is. En aan de andere kant heeft hij de hand van de geportretteerde en de staart van de jachtvogel op diens hand over de lijst heen geschilderd. Het is daardoor niet duidelijk waar de schijnwereld nu werkelijk ophoudt. Langzaam maar zeker ontdekten de schilders de mogelijkheden die de schilderkunst inhield ten aanzien van de schijnwereld van het platte vlak. In de Zuidelijke Nederlanden ging het snel, na de vondsten van Jan van Eyck. In het noorden duurde het allemaal wat langer, maar ook daar zouden de ontwikkelingen zich na 1500 in een razend tempo voor gaan doen.

Rijksmuseum Kunstkrant september / oktober 2003
© Wouter Kloek