Kunstpedia - http://www.kunstpedia.com
De Porseleinfabriek in Weesp (1759-1774)
http://www.kunstpedia.com/articles/315/1/De-Porseleinfabriek-in-Weesp-1759-1774/Page1.html
Rijksmuseum Amsterdam
The Rijksmuseum Amsterdam, owned by the state, is the largest and most important art and historical museum of the Netherlands. The museum owns major works of Rembrandt van Rijn and counts more than 1 million objects in its collections.

Het Rijksmuseum Amsterdam is het grootste en belangrijkste kunst- en geschiedkundige Rijksmuseum van Nederland en is eigendom van de staat. Het bevat onder meer topstukken van de kunstschilder Rembrandt van Rijn en telt ruim 1 miljoen voorwerpen in zijn collectie.

Rijksmuseum
Jan Luijkenstraat 1
Amsterdam
t. 020-6747000
www.rijksmuseum.nl

 
By Rijksmuseum Amsterdam
Published on 23 June 2008
 
In de jaren ’50 van de 18de eeuw trok de economie in Nederland aan en kwam er langzaam maar zeker weer vraag naar luxueuze consumptieartikelen. Bovendien was als gevolg van de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) de productie van faïence en porselein in Oost-Frankrijk en Duitsland weggevallen. Dit bood goede kansen voor het starten van een porseleinfabriek in Nederland. 

In de jaren ’50 van de 18de eeuw trok de economie in Nederland aan en kwam er langzaam maar zeker weer vraag naar luxueuze consumptieartikelen. Bovendien was als gevolg van de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) de productie van faïence en porselein in Oost-Frankrijk en Duitsland weggevallen. Dit bood goede kansen voor het starten van een porseleinfabriek in Nederland. 

Door Jan Daniël van Dam, hoofdconservator ceramiek en glas :  In de zomer van 1750 was Bertram graaf van Gronsveld Diepenbroick (1715-1772) benoemd tot drost van Muiden en slotvoogd van het Muiderslot, waaraan de functie van hoofdschout van Weesp was verbonden. Hij was in Weesp kortom een machtig man en in 1759 stichtte hij in de Kromme Elleboogsteeg een porseleinfabriek. Het was in de 18de eeuw geen sinecure om een fabriek te vestigen. Na het verkrijgen van allerhande vergunningen en zo mogelijk vrijstelling van een aantal belastingen, moesten bedrijfsgebouwen worden gekocht of ver/gebouwd en moest een bedrijfsinventaris (ovens, gereedschappen en (hulp)materialen voor het beoogde product) worden samengesteld. De graaf moest bovendien op zoek naar grondstoffen, kennis van het productieproces en technische en artistieke handvaardigheid.  


Terrine op onderschotel, ca. 1764-1768
Porselein, Weesp
Terrine: hoogte 32 cm, breedte 37,3 cm, onderschotel: breedte 41,7 cm

Personeel uit het buitenland
Weesp kende geen ceramische nijverheid en dus geen geschoold personeel. Vanwege de contacten die de graaf van Gronsveld in Duitsland had trok hij in eerste instantie Duits personeel aan. Dit was op dat moment vanwege de leegloop van de Duitse porseleinfabrieken door de Zevenjarige Oorlog ook een voor de hand liggende oplossing. De achtergrond van de belangrijkste personeelsleden in aanmerking genomen, zou men over de Weesper porseleinfabriek als over een Duitse onderneming in Nederland kunnen spreken. Gronsveld begon met het werven van twee erva- ren vaklieden: Christian Gottlob Berger (1730-na 1776) en Niklaus Paul (1711-1788). Berger had in de porseleinfabriek van Meissen een opleiding genoten als Bossierer of garneerder, de man die de verschillende, met behulp van vormen gemaakte delen van een stuk serviesgoed of een figuur met kleipap aan elkaar zette. Vervolgens had hij ook geleerd om lappen klei in de gipsvormen te drukken en bloemen vrij uit de hand te boetseren. Daarnaast was hij vaardig in het afgiet en van modellen in gips en het maken en verkleinen van gipsvormen.

Niklaus Paul had in de vroege jaren ’50 in Höchst het vak van Masseschlämmer geleerd, dat wil zeggen dat hij zich bezighield met het bereiden van de porseleinmassa uit de grondstoffen kaolien, kwarts en veldspaat. Ook had hij ervaring als opzichter in de draaierij en de Formerstube, het atelier. Paul werd in de Weesper onderneming de bedrijfsleider en Berger de ontwerper, de modelleur. Samen hadden zij voldoende kennis en ervaring voor het verkrijgen en verwerken van de grondstoffen voor een werkbare kleimassa, voor het maken van gipsvormen en voor het stoken van de oven, en waren kortom zeer geschikt om een nieuwe fabriek op te zetten, in te richten en personeel op te leiden. Voor het beschilderen van het porselein, een aspect van het productieproces waar Berger en Paul minder kaas van gegeten hadden, trok Gronsveld de Nederlandse fijnschilder Theodorus Onkruyd (1706-1771) aan. Onkruyd kreeg tevens de opdracht verfstoffen te kopen en te beproeven of ze geschikt waren om porselein mee te beschilderen. Dit laatste deel van het productieproces heeft de fabriek veel hoofdbrekens gekost en ondanks de inbreng van buitenlandse specialisten duurde het tot 1764 voordat men een voor het oog aantrekkelijk decoratie in geslaagde kleuren en het hechten ervan op het porselein onder de knie had. 


Olie- en azijnstel, het model (ontwerp) toegeschreven aan Christian Gottlob Berger, ca. 1764-1768,
Porselein, Weesp
Kannetjes: hoogte 18,8 cm, houder: hoogte 12 cm

Internationale vormen en afbeeldingen
Een porseleinfabriek, maar dat gold evenzo voor een faïence fabriek, moest in personele zin enige omvang hebben om zich een bedrijfsleider van niveau te kunnen permitteren. Ook de maat van de oven dicteerde een bepaald aantal werknemers. Men mag aannemen dat er in Weesp doorlopend tenminste twintig mannen en vele (leer)jongens in het bedrijf werkzaam zijn geweest. Een porseleinfabriek was in het algemeen te klein van omvang om een modelleur voor een langere periode doorlopend werk te verschaffen. Modelleurs, en ook schilders, waren om die reden gewend om van de ene naar de andere fabriek te zwerven. De indruk bestaat dat zij dat deden met medeneming van voorbeelden in prent, maar ook van enkele series gipsvormen, vermoedelijk werkvormen van nog maar kort tevoren door henzelf ontworpen modellen. Schilders reisden met prentvoorbeelden, sponsen, de doorgeprikte ontwerpjes die onontbeerlijk waren als hulpmate riaal, en verfstoffen. Deze gang van zaken in aanmerking nemend kan men ook begrijpen dat niet alleen het  ‘handschrift’ van één kunstenaar in de ene na de andere fabriek op allerlei plekken in Europa verschijnt, maar ook identieke vormen en afbeeldingen. Dit maakt tevens duidelijk waarom in de nieuw opgerichte Nederlandse ceramiekondernemingen zoals in Weesp de nieuwste buitenlandse stijl van dat moment zo plotseling maar ook zo stijlzuiver is geïntroduceerd.  



Venus, het model (ontwerp) toegeschreven aan Nicolas Gauron, ca. 1764
Porselein, Weesp,
hoogte 20,3 cm

Modelleurs in Weesp
Berger werkte maar hooguit twee jaar als modelleur in Weesp. Hij moet de vormen van een oorspronkelijk door Johann Joachim Kaendler en Johann Friedrich Eberlein omstreeks 1740 in Meissen ontworpen terrine in zijn bagage hebben gehad, toen hij in Weesp arriveerde (zie afb. 1). Hij had die vormen kennelijk uit Meissen meegenomen naar Berlijn, vervolgens naar Fürstenberg en tenslotte naar Weesp. Men mag haast aannemen dat hij ook wel wat voorbeelden op papier, in was of in gips, of vormen uit Berlijn en Fürstenberg bij zich zal hebben gehad voor de nieuwe fabriek. Zijn eerste ontwerpen in Weesp lijken dan ook erg op figuren uit Berlijn en terrines uit Fürstenberg, al paste Berger zich in de samenstelling van het serviesgoed aan de voorkeuren van de Nederlandse consument aan. Het olie- en azijnstel (afb. 2) bijvoorbeeld was nergens in Europa zo populair als in Nederland. Bij een nieuw ontwerp voor dergelijk serviesgoed paste Berger een hem bekende vorm wat aan en gebruikte er vervolgens een modern ornament voor i n de vorm van rocailles in reliëf.

In 1764 trad een nieuwe modelleur aan, Nicolas Gauron (1736-na 1773). De graaf van Gronsveld zal behoefte hebben gehad aan een volgende modelleur om het bedrijf een nieuw elan te geven. Gauron had zijn opleiding als modelleur in de porseleinfabriek van Villeroy-Mennecy genoten, vervolgens kort te Vincennes gewerkt en daarna in de porseleinfabriek in Doornik. Gauron had de Franse zwierigheid van het rococo goed in zijn vingers; zijn figuren ademen de sfeer van Parijs (afb. 3). Na hem kwam Louis Victor Gerverot (1747-1829), geboren in Lunéville in Lotharingen, die zijn leerjaren als bloemenschilder had doorgebracht in Sèvres en in Niderviller, waar hij porselein leerde decoreren met ‘Indiaanse’ vogels en geheime recepten kopieerde. Daarna werkte hij als modelleur in Fulda en als bloemen- en vogelschilder in Fürstenberg (1767) waarna hij naar Weesp kwam. Gerverot was in de eerste plaats een begenadigd schilder. De oorspronkelijke Weesper terrines met cartouches in reliëf waren voor zijn vaardigheden niet erg geschikt. Nieuwe modellen vond Gerverot kennelijk niet nodig of zijn door Gronsveld als te omslachtig en te duur verworpen, want er werd een goedkope oplossing gevonden: van de modellen uit de beginjaren liet men de rocailles weg. Deze werden anno 1769 mogelijk ook ouderwets gevonden (afb. 4). Met de komst van deze derde ontwerper, opnieuw afkomstig uit een streek van Europa met een wat ceramiek betreft eigen karakter, heeft het product in de laatste jaren van de Weesper fabriek een ander en voor dat moment moderner uiterlijk gekregen.  


Terrine op onderschotel, de beschildering toegeschreven aan Louis Victor Gerverot, ca. 1769-1770
Porselein, Weesp
Terrine: hoogte 20,2 cm, breedte 27,3 cm, onderschotel: breedte 32,8 cm

Het einde van de fabriek
Na het einde van de Zevenjarige Oorlog bloeide de porseleinindustrie in Duitsland en Frankrijk weer op. Deze concurrentie en het succes van het modern vormgegeven en goedkope Engelse creamware bleken uiteindelijk teveel voor de Weesper onderneming. Na enkele jaren een noodlijdend bestaan te hebben gekend werd er uitverkocht. Het definitieve einde was de veiling van de bedrijfsinventaris die op 12 februari 1774 in het Muiderslot plaatsvond. In het assortiment van de porseleinfabriek ontbreken borden, schotels en schalen. Er werden blijkbaar geen volledige tafelserviezen geleverd, althans er zijn geen stapels platgoed in verzamelingen overgebleven. Twee advertenties na het besluit tot liquidatie in 1770 geven over de samenstelling van het assortiment uitgebreide informatie: op Saturdag de 13 July zal men in de Porcelyn Fabriek tot Weesp verkoopen: een groote party. PORCELYN in de Saxische Trant, tot Weesp gemaakt, bestaande in Schootels, Borden, Therines, Coffy- en Thee-Serviesen, Spoelkommen, Trekpotten zo Ges childerd als Wit,…(Amsterdamsche Courant 9 juli 1771) en: Op Saturdag. Den 19 Juny, zal men tot Weesp ten huize van de Castelein David Knepper, in het Amsterdamsche Veerhuis Verkoopen: een groote party diverse soorten van Weesper Porcelynen alle in de Saxische Smaak, bestaande in Therines, Borden, Coffy- en Thee- Serviesen, Melk-Kannen, Spoel- Kommen, Suiker-Potten, Sous- en Room-Kommen, Beelden en een groote party Coffy-, Thee en Chocolaat goed met en zonder Ooren, geschilderd en ongeschilderd (Amsterdamsche Courant 12 juni 1773).  

Rijksmuseum aan de Vecht
Porselein zorgde naast de Weesper moppen, Weesper brandewijn en Van Houten’s cacao voor welvaart in Weesp. De stad was in de 18de eeuw zo welvarend dat het zich een nieuw stadhuis kon permitteren. De bovenverdieping van dit fraaie gebouw herbergt sinds lang het Gemeentemuseum, met als voornaamste schat de verzameling Weesper porselein, die met de collectie van het Rijksmuseum de belangrijkste verzameling in Nederland vormt. Het Gemeentemuseum Weesp en het Rijksmuseum zijn bijzonder verheugd dat deze beide verzamelingen vanaf 11 juni 2004 voor vijf jaar in het stadhuis van Weesp te zien zullen zijn onder de noemer Rijksmuseum aan de Vecht.

Rijksmuseum Kunstkrant mei / juni  2004
© Rijksmuseum Amsterdam