Al ruim een eeuw staan de landschappen van Jan van Goyen te boek als de representanten bij uitstek van het realistische landschapsidioom m de Hollandse Schilderkunst van de Gouden Eeuw Aanvankelijk huldigde men daarbij de opvatting dat deze schildenjen het Hollandse 17de-eeuwse landschap weerspiegelen zoals zieh dat aan het oog van de schilder voordeed Men wist dat 17de-eeuwse schilders niet, of hooguit uiterst zelden rechtstreeks naar de zichtbare natuur schilderden, zoals de impressionisten in de 17de eeuw zouden gaan doen, maar wel tekeningen en schetsen m de natuur maakten. Deze natuurstudies dienden vervolgens als hulpmateriaal bij het schilderen m olieverf van landschappen in het atelier. Deze schildenjen werden zorgvuldig gecomponeerd, maar gaven desalniettemin de indruk direct naar de natuur het alledaagse 17de-eeuwse Hollandse landschap weer te geven. De kunsthistorische waardering van dit realisme werd vooral, in de aandacht voor het alledaagse en het toevallige, bepaald door de kennis van de schilderkunstige praktijk van de impressionisten en de kennis van het fotografisch procedé.
In de laatste decennia besteedt men meer aandacht aan het geconstrueerde en zorgvuldig bedachte binnen het realisme van het Hollandse 17de-eeuwse landschap De term 'keurlijke natuerlijckheit', ontleend aan de i7de-eeuwse kunsttheoreticus en schilder Samuel van Hoogstraeten verwoordt wat men is gaan beschouwen als de centrale karakteristiek van dit realisme het landschap wekt weliswaar de indruk geheel en al natuurlijk, rechtstreeks 'naer het leven' geschilderd te zijn, maar is m compositie, vormgeving, motiefkeuze en schildertrant een uitvloeisel van weloverwogen keuzes van de schilder. Doordat men m de afgelopen jaren aandacht heeft gevraagd voor de conceptuele kant van het scheppingsproces en ook meer naar de inhoudelijke betekenis van het kunstwerk heeft gekeken, is de vraag naar de precieze relatie tussen de zichtbare werkelijkheid en Jan van Goyens weergave daarvan enigszins op de achtergrond geraakt. Als er echter een aspect in zijn kunst is dat wel steeds deze vraag heeft opgeroepen, dan is dat de 'atmosferische kwaliteit' van zijn landschappen
Er is, ook in de recente literatuur, vroj wel geen auteur die niet gewezen heeft op de realistische weergave van een bepaalde, voor het Hollandse landschap zo karakteristieke vochtigheid in de atmosfeer, die het licht filtert, de contouren van alle vormen omfloerst en deze, naar mate men verder van de objecten in het landschap verwijderd is, in een heilige waas doet oplossen. Vooral Van Goyens weidse rivierlandschappen, waarin de lucht- en wolkpartijen verreweg het grootste deel van het schilderij in beslag nemen, zijn steeds geroemd als schildenjen die als geen andere dit fenomeen hebben weten te treffen. Menige auteur heeft zelfs gesteld dat de weergave van dit verschijnsel de eigenlijke, centrale preoccupatie van Jan van Goyen is geweest. Zo schreef de Leidse hoogleraar Η. van de Waal in zijn kleine maar fraai uitgebalanceerde monografie over Van Goyen in 15141 'Het onuitsprekelijk teere licht, dat over onze Hollandsche wateren hangt, de fijne zilvertonen en grijzen van onze vochtige atmosfeer zijn levenslang zijn onderwerp geweest'. En Η -U Beck, die het grote oeuvre van Jan van Goyen uitvoerig heeft gecatalogiseerd, merkte met betrekking tot diens tonale landschappen uit de jaren 1640-1645 op 'die Penode der absoluten Tomgkert ( ) Die feuchte, dunstgetrankte Meeresluft verdrangt die Lokalfarben aus der Landschaftsszcnei le zugunsten einer malerischen, tonigen Färbung, Einzelheiten veiheren sich, verschwimmen im zaiten, nebeligen Dunst der Ferne, die sich mit der Atmosphäre haimomsch verbindet'.
Het zal misschien verbazen dat bij alle consensus over het belang van de atmosferische kwaliteit in Jan van Goyens landschappen, dit onderdeel van zijn kunst nooit zelfstandig onderwerp van studie is geweest. In feite is aan deze atmosferische kwaliteit alleen aandacht geschonken in de beperkte context van vorm-analyses van zijn schildenjen, die betrekking hebben op de compositie-opbouw, de verdeling van licht- en schaduweffecten in het beeldvlak, de suggestie van ruimtelijkheid en de tonale kleurgeving van het landschap. In deze, ook weel mede door het impressionisme beinvloede, aandacht voor de meer abstracte vormaspecten van het landschap is weinig plaats geweest voor de motieven zelf, dat wil zeggen de 'bouwstenen', waarmee het landschap is samengesteld. Zo heeft men wel, vaak in evocatieve termen, gesproken over de 'atmosferische kwaliteit' en het 'spel van licht en donker' in Van Goyens wolkenluchten, maar niet of nauwelijks over wolkformaties en andere concrete weer-motieven, zoals regen, wind en zonneschijn, waar aan bepaalde atmosferische toestanden kunnen worden afgelezen en die tot op zekere hoogte tot het 'verhalende' aspect van de voorstelling behoren. Een systematisch onderzoek van deze weer-motieven is echter wenselijk, omdat zij de onderbelichte rol van het 'verhalende' element in Jan van Goyens landschappen onder de aandacht kunnen brengen en opnieuw de vraag doen stellen naar het visuele werkelijkheidsgehalte van deze schildenjen. Nu kan het onderstaande de leemte die er in dit opzicht in het onderzoek bestaat - en die ook geldt voor de 17eeeuwse Hollandse landschapschilderkunst in het algemeen - bij lange na niet opvullen. De keuze is daarom gevallen op een analyse van een aantal weer-motieven die het 'verhalende' element binnen Jan van Goyens ‘iealistische' stijlidioom zichtbaar helpen maken.
Lees Volledig Artikel >>
COPYRIGHT 1999 Prof. dr. R. L. Falkenburg , All rights reserved.
No portion of this article nor the accompanying illustrations can or may be reproduced without the express written permission from the copyright holder.