Dianne Hamer heeft kunstgeschiedenis gestudeerd in Utrecht en heeft regelmatig gepubliceerd. Zij voert de redactie van een publicatie van de historische vereniging in Epe, waar zij woonachtig is. Daarnaast zit zij in de Kunstcommissie van de Gemeente Epe en is nauw betrokken bij de organisatie van tentoonstellingen en exposities.Het aardewerk van Petrus Regout, 1836-1899
Het bekende aardewerk van Regout, dat altijd als iets heel gewoons werd beschouwd, waarop zelfs wat werd neergezien, heeft in de loop der jaren verzamelaarswaarde gekregen. Toch moet er rekening mee worden gehouden dat het om industrieel vervaardigde massaproducten gaat, die nauwelijks als uniek of buitengewoon kostbaar kunnen worden beschouwd.
Korte geschiedenis van het bedrijf
In 1836 werd er in Maastricht een aardewerkfabriekje opgericht met de handelsnaam 'Petrus Regout'. Dit fabriekje was al vooraf gegaan door een kleine handslijperij, waarin uit België betrokken glas en kristal bewerkt werden. Deze twee kleine bedrijven zouden uitgroeien tot de Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken van Petrus Regout. Het fabrieksterrein besloeg bijna 10 hectare van de Maastrichtse binnenstad,er werkten ruim 2500 arbeiders.
Petrus Laurentius Regout werd op 23 maart 1801 geboren in Maastricht (overleden in 1878). Zijn ouders dreven een glas- en aardewerkhandel, die al vanaf het begin van de 18e eeuw in het bezit van de familie was geweest. Regout kende deze bedrijfstak dus vanaf zijn prilste jeugd. Na het overlijden van zijn vader zette zijn moeder de zaak voort, met behulp van Petrus, die toen 14 jaar oud was. Hij moest daarvoor wel zijn schoolopleiding staken.
Hij begon zich toe te leggen op de groothandel en import, wat leidde tot veelvuldige bezoeken aan België, waar hij in contact kwam met verscheidene ondernemers.
Regout begon met zijn aardewerkfabriek in de hal achter zijn huis, nadat hij binnen enkele weken de toestemming had verkregen om met dit bedrijf te beginnen. Zijn argument dat dit project 'weder aan onderscheidene inwoners een voordelig bestaan zal kunnen opleveren' vond kennelijk gehoor.
De eerste arbeiders liet Regout overkomen uit België en tot het midden van de 19e eeuw maakte hij voornamelijk aardewerk naar Belgisch voorbeeld. De grondstoffen waren afkomstig uit Andenne, Charleroi en Koblenz. Er bestond echter een geduchte concurrent: Engels aardewerk, dat op grote schaal werd geïmporteerd. Vooral het Wedgwood aardewerk was erg populair in Nederland. Dit had tot gevolg dat vele Nederlandse aardewerkfabrieken over de kop gingen; Regout echter, speelde hierop in door zich op de hoogte te laten stellen van de manier van werken in Engeland en wist een product te maken dat de kwaliteit van het Engelse aardewerk benaderde.
Op 17 juni 1825 was Petrus Regout getrouwd met Maria Hoebrechts, zij kregen 10 kinderen, waarvan de 5 zoons, Petrus, Eugene, Louis, Eduard en Gustave, naderhand eveneens verbonden waren met de bedrijven. Zij associeerden zich in 1870 met hun vader, die tot dan toe alleen het bestuur over de onderneming gevoerd had. De dan omvangrijke onderneming werd in 1879, na het overlijden van Petrus, voortgezet als een commanditaire vennootschap, de C.V.Kristal-, Glas- en Aardewerkfabrieken van Petrus Regout & Co.
Op 1 januari 1899 werd deze commanditaire vennootschap omgezet in een naamloze; de N.V. Sphinx voorheen Petrus Regout & Co.
De naam 'Regout' wordt vaak ten onrechte gebruikt voor producten afkomstig uit de fabrieken van de 'Société Ceramique', die sinds 1851 eveneens gevestigd was in Maastricht. Dit misverstand wordt versterkt door de fusie van beide bedrijven in 1958: de N.V. Sphinx-Ceramique.
In 1854 kwam er een derde aardewerkfabriek bij in Maastricht: de N.A. Bosch, genoemd naar de oprichter, een Maastrichts handelaar, fabrikant en bierbrouwer.
De zonen Louis en Alfred Regout richtten firma's op die niet met die van hun broers concurreerden, respectievelijk in 1883 een porseleinfabriek, die later Mosa zou heten en in 1888 een vloertegelfabriek.
Kleinzoon Frederik echter ging de concurrentie met de familie wel aan met zijn uit 1891 daterende fabriek voor huishoudelijk aardewerk. Dit bedrijf werd in 1896 echter al overgenomen door Petrus Regout & Co.
In 1965 werd de door Alfred Regout opgerichte vloertegelfabriek (de Rema) overgenomen door de N.V. Sphinx-Ceramique. in 1969 besloot men om voornamelijk tegels en sanitair te gaan maken. Vanaf 1972 heette het bedrijf N.V. Koninklijke Sphinx.
In de
beginjaren van de Maastrichtse aardewerkproductie werd er volgens
ambachtelijke methodes gewerkt. De klei werd met de hand op de
draaischijf gevormd of met een mal geperst. Losse delen van het
voorwerp werden apart gemaakt en later aangezet (het zogenaamde
garneren). De voorwerpen werden na het drogen in een cassette
geplaatst, die met de hand in de rondovens opgestapeld werden. Voor het
glazuren moesten de producten stuk voor stuk in een vernisbak worden
gedoopt. Na het drogen, bakken en glazuren van de klei kon het
voorwerp, eveneens met de hand, worden gedecoreerd. Om het
productieproces te versnellen maakte men wel gebruik van stempels of
sjablonen, dit vooral wanneer een patroon vaak herhaald moest worden,
bijvoorbeeld op serviezen.
Het schilderen op een ongebakken glazuurlaag vereist veel vaardigheid, omdat glazuur veel vocht opneemt en veranderingen daarom niet meer mogelijk zijn.
Sedert de tweede helft van de 19e eeuw was het mogelijk om decors door middel van een in Engeland ontwikkeld drukprocedé, het zogenaamde 'Transferprinting' op het voorwerp aan te brengen. Dit werd bij Regout als volgt toegepast: in een vlakke, gepolijste koperen plaat wordt de gewenste voorstelling gegraveerd. Af en toe wordt een proefafdruk gemaakt om te controleren of het resultaat aan de eisen voldoet.
De diepte van de aangebrachte lijnen en stippels is bepalend voor het effect bij het drukken. Voor de kleur rood moet bijvoorbeeld vrij diep worden gegraveerd. De gegraveerde koperen plaat wordt verwarmd en ingeinkt met een vrij dikke, vettige massa, waardoor een ceramische kleurstof is gemengd. Het teveel opgebrachte wordt met een breed paletmes verwijderd, zodat de 'inkt' alleen achterblijft in de lijnen en stippels van de plaat, maar die moeten dan ook geheel zijn gevuld. Een dun velletje papier wordt behandeld met een oplossing van groene zeep in water en vervolgens op de plaat gelegd. De verwarmde plaat en het papier worden dan onder de cilinder van een handdrukpers doorgevoerd. Daarna kan het papier, waarop nu de voorstelling in spiegelbeeld is overgebracht, voorzichtig van de plaat worden gehaald. Het overtollige papier wordt weggeknipt en ten slotte wordt het papier met de bedrukte zijde naar beneden op het te decoreren voorwerp gelegd en met een vochtige flanellen of corduroy 'robber' zeer stevig aangedrukt, zodat de kleurstof van het papier op het poreuze biscuit voorwerp wordt aangebracht. Het papier wordt vervolgens met water verwijderd. De oliehoudende bestanddelen van de 'inkt' op het voorwerp moeten daarna door verhitting worden uitgeschakeld en pas dan kan het voorwerp een glazuurbehandeling ondergaan.
Als het decor met een transparante glazuurbehandeling is bedekt heeft het een grote mate van duurzaamheid en kan het niet gemakkelijk door krassen e.d. beschadigd worden. Aan deze handdrukmethode kwamen behalve een graveur, een drukker, een knipster, een oplegster en een wrijfster te pas. Het was een zeer arbeidsintensieve aangelegenheid.
Petrus
Regout liet de gegraveerde koperen platen uit Engeland komen. Pas toen
de lithografie zo gevorderd was dat met in de oven bruikbare
kleurstoffen kon worden gewerkt, kwam aan de omslachtige techniek met
de gravures een einde.
Het eerste baksel wordt biscuit-brand genoemd, het tweede glad-brand. Hoewel het principe steeds hetzelfde blijft, traden er ook voor vormen, glazuren en bakken veranderingen op. Als eerste werd er voor het vormen van aardewerk aan het einde van de 19e eeuw overgeschakeld op het gebruik van mallen. Pas veel later, in 1913, werden de traditionele vernisbakken vervangen door op generatorgas gestookte kanaalovens, en pas in 1933 kwamen de kanaalovens, waar het aardewerk direct en onverpakt op wagens in gereden kan worden.
Het gebruik van kleuren van een bepaalde samenstelling bij de onderglazuur-decoratiemethode leverde nogal eens moeilijkheden op. De kleuren ontwikkelden zich dan namelijk pas na de tweede glazuring. Ook daarvoor vond men op den duur oplossingen: men was in staat meer onderglazuurverven samen te stellen, die de hoge temperatuur van de tweede glazuurbakking konden verdragen. Daarnaast werden de voorwerpen met een bovenglazuurdecoratie, bestaande uit methaalhoudende verven, die een hoge temperatuur niet konden verdragen, in een 'moffel' (een vuurvaste kist) geplaatst en voor de tweede mal gebakken bij een hitte van 800 tot 900 graden Celsius, in plaats van de gebruikelijke 1400 graden Celsius.
Ondanks
de vertechnisering bleef het maken van ingewikkelde vormen lange tijd
een samengestelde handeling. Losse onderdelen moesten met de hand
aangezet worden. Pas in de 20e eeuw werd het mogelijk twee helften van
een voorwerp te vormen en deze mechanisch aaneen te voegen.
Over
de beginjaren is heel weinig met zekerheid bekend, waarschijnlijk werd
er eenvoudig volksaardewerk, 'fayence commune' gemaakt, dat wit of
beschilderd was.
Uit oude prijscouranten valt op te maken welke soorten aardewerk werden
gemaakt, zoals 'blanc', 'blanc fin', 'imprime','imprime FLOWING'. Met
'blanc' werd waarschijnlijk het crèmekleurige aardewerk bedoeld,
terwijl met 'blanc fin' dan het zuiver witte was.
Onder 'imprime' wordt natuurlijk het bedrukte aardewerk verstaan en 'imprime FLOWING' is het zeer geliefde vloeiblauw.
Er waren verschillende ceramieksoorten, zoals 'terre jaune' of 'geelsteen', een licht okergele ceramieksoort, die het bekendst is van de tonvormige voorraadpotten met zwarte band en van sommige puddingvormen. Als serviesgoed was dit geelsteen vrij kostbaar. Theeserviezen en toiletgarnituren werden soms van brede, zilverkleurige banden voorzien ('platine') waarvoor echt platina schijnt te zijn gebruikt. Terre jaune is vrij zeldzaam geworden, behalve misschien voor voorraadpotten en puddingvormen.
Het 'grès fin' bestond uit biscuitsoorten, die behalve wit ook gekleurd konden zijn. Hiervan werden botervloten, fruitschalen, kandelaars, theebusjes, wijwaterbakjes en allerlei soorten kannen gemaakt.
Erg
bekend is een helderwitte aardewerksoort, 'granit', geworden, door de
tientallen jarenlang populair gebleven eetserviezen "Wellington". Dit
servies had typische gebombeerde vormen en gekrulde oren en kon in wel 20 verschillende uitvoeringen worden geleverd: van eenvoudig wit, tot bedrukt en met goud beschilderd.
Aan het 'granit' werden bijzondere eigenschappen toegeschreven, zoals een uitzonderlijke sterkte.
Andere ceramiesoorten zijn 'terre bleu', 'terre grise', 'terre noire' en 'Rockingham'.
Terre
bleu of blauwsteen heeft niet alleen een lichtblauw gekleurde scherf,
maar werd ook nog van een blauw getinte loodglazuurlaag voorzien. Dit
doet denken aan de lichtblauwe 'Jasperware' van Wedgwood.
Het blauwsteen van Regout is soms in reliëf gemodelleerd: geribbeld, met bloemen, met mandwerk, e.d. Ook werden er wel kleine witte reliëfappliques aangebracht op glad blauwsteen.
Van blauwsteen werden bijvoorbeeld thee- en koffieserviezen, theelichtjes, waterkannen en botervloten gemaakt.
De theeserviezen waren meestal vierdelig: een theepot, een suikerpot, een melkkannetje en een spoelkom. Een koffieservies bestond uit dezelfde onderdelen met daaraan toegevoegd een koffiepot.
Bij zulke serviezen werden waarschijnlijk kopjes en schotels van een ander materiaal gebruikt.'Terre noire' of zwartsteen heeft ook een gekleurde scherf, maar deze is niet werkelijk zwart, maar donker grauwbruin. Bij Regout werd dit bedekt met een doorschijnende, blauwige glazuur, die soms, op plaatsen waar deze dik is uitgelopen, een antracietachtige glans heeft. Dit werd nogal eens met Engels zwartsteen gecombineerd. Het is niet te vergelijken met het 'Egyptian black' of 'Basalt' zoals Wedgwood dat in de 18e eeuw al maakte en dat gekenmerkt wordt door een werkelijk diepzwarte scherf en een mat oppervlak.
Van zwartsteen maakte Regout alleen theeserviezen.
'Rockingham' is een gewone witte soort aardewerk met een sterk glanzende, bruine, stroperige glazuur, die bewust onregelmatig werd opgebracht.
Sommige voorwerpen hebben lichte vlekken die op duim- of vingerafdrukken lijken. Hiervan werden koffie- en theeserviezen gemaakt. Dit aardewerk is tamelijk zeldzaam geworden.
Regout heeft in de jaren 1865-'70 het zogenaamde 'Parian Ware' gemaakt, een ivoorkleurige varieteit van hard porselein, die in Engeland erg in de mode was. Regout maakte dit porselein uit een mengsel van 'China clay' en verschillende soorten veldspaat.
Dan is er nog het 'goudluster', dat toegepast werd bij kastkommen op voet, met op de buitenwand een brede donkerblauwe band. Op deze band werden vier kleine reliëfappliques aangebracht, die in bonte moffelkleuren waren uitgevoerd. (Moffelkleuren worden gemaakt van kleurstoffen die na het glazuren aangebracht worden omdat ze niet bestand zijn tegen de hoge temperaturen van de glazuurbrand). De decoraties bestonden uit afwisselend een tuiltje bloemen en een landschap met een herder en schaapjes, in overeenstemming met de veel minder zeldzame Engelse kommen van dit soort.
Alleen
theeserviezen zijn er gemaakt van een celadongroene ceramieksoort,
waarvan de scherf door en door is gekleurd, zoals ook het geval is bij
geel- en blauwsteen. Van dit lichtgroene aardewerk is niet veel meer
over.
Tenslotte heeft de fabriek ook nog terra cottakleurige ceramiek gemaakt.
Soms werden er op kopjes en kommen goudkleurige opschriften aangebracht: "Uit Liefde" of "Uit Vriendschap" en "Uit een goed hart". Soms werden zelfs rijmen van vier regels gebruikt:
"Wanneer nu dat geschenk
naar uw genoegen is
ontvangt het dan van mij
als een gedachtenis."
Of:
"Gij roept de wolken over 't land,
dat zij de velden drenken
en ons de gaven van Uw hand
in rijken voorraad schenken."
Dergelijke opschriften werden ook wel, maar minder vaak, in rood geschilderd.
Kopjes en bekers werden ook wel voorzien van jongens- en meisjesnamen.
Tot de nieuwe decors behoorden landelijke scènes, havengezichten, afbeeldingen van historische gebouwen, mythologische voorstellingen en patronen die ontleend werden aan geïllustreerde reisbeschrijvingen. De toepassing van drukdecors op aardewerk had tot gevolg dat na verloop van een aantal jaren allerlei 'rijk' versierde gebruiks- en sierceramiek binnen het bereik van de massa kwam te liggen.
Er werden in Engeland gegraveerde koperen platen, nodig voor het aanbrengen van drukdecors, besteld met patronen als 'Willow', 'Farmer's Boy', 'Brigands Surprised', 'Ruth&Boaz', 'Montagne', 'Loves', 'Pekin', 'Clown', 'China', 'Wreath'; etc., etc., besteld.
Bij
Regout zijn honderden transferdecors gebruikt, waarin wat de midden- of
hoofddecors betreft, diverse groepen kunnen worden onderscheiden
(dezelfde randdecors konden bij heel verschillende middenpatronen
toegepast zijn):
genre-taferelen: decors met al dan niet gefantaseerde taferelen uit het dagelijkse leven, waarin menselijke figuren de hoofdrol spelen. De personages worden meestal in een landelijke omgeving geplaatst: in oogstscenes, op jacht, bezig met de verzorging van planten of dieren en in typische vrijetijdsactiviteiten, bijv. dansend of musicerend. De hierbij gebruikte randdecors zijn meestal samengesteld uit bloem- en bladmotieven. Deze omvangrijke groep bestaat uit tientallen patronen, die overwegend Engelse namen dragen. Uitzonderingen zijn o.a. 'Visscherman', 'Lievelingen' en 'IJsvermaak'.
Bloempatronen: dit zijn decors die uitsluitend of voornamelijk uit florale motieven zijn opgebouwd. Als ze een uitgesproken Chinees of Japans karakter vertonen, worden ze bij de exotische groep ingedeeld. Vroege bloempatronen zijn 'Fibre', 'Nymph' en 'Wild Rose', van iets later datum zijn 'Lily', 'Venice', 'Esther', 'Mille Fleurs' en 'Sawah'. Uit het einde van de 19e eeuw dateren 'Begonia', 'Briar', 'Canada', 'Epine', 'Flower', 'Korenbloem' en 'Pinksterbloem'.
Exotische decors:
een zeer omvangrijke groep, die zowel van Chinese ceramiek afgeleide
decors omvat, als chinoiserieen (westerse psuedo-Chinese
voorstellingen), die over het algemeen een romantische kijk op het
leven in China bieden. Er zijn ook wel Japanse invloeden, maar die zijn
duidelijk minder vaak aan te wijzen dan de Chinese. Het bekendste decor
van deze groep is 'Willow', andere zijn:'Honc', 'Pekin', 'Clown' en
'China'.
Topografische patronen: decors naar aanleiding van reizen naar vreemde en verre landen, bijvoorbeeld in het nabije, midden en verre oosten, maar ook de Balkan en Amerika. Een aantal van deze voorstellingen is gefantaseerd, zoals 'Alpine','Belvoir', 'Bern', 'Capri', 'Greece', 'Palmyre' en 'Tyrol'.
Heel bekend zijn de series bordjes met Nederlandse topografische voorstellingen: 'Monumenten' en 'Nederland', die gedurende de laatste twee decennia van de 19e eeuw in grote hoeveelheden zijn geproduceerd.
Historische decors: deze patronen werden meestal vervaardigd naar aanleiding van actuele gebeurtenissen, waarvoor veel belangstelling bestond. Jubilea, oorlogen en herdenkingen. Zo bestaat er een decor 'Potsdam', dat Napoleon in Egypte voorstelt. Andere patronen waren bijvoorbeeld 'Buit', 'Rode Kruis'.
Geometrische en symmetrische patronen: een vrij kleine, maar niet onbelangrijke groep patronen die in een kleur werden gedrukt: in blauw, rood, groen, lila of bruin. Van deze decors kunnen worden genoemd: 'Alpine' (zonder berglandschapje), 'Awa', 'Bali', 'Creta', 'Goudkust' en 'Tancrede'.
Diversen: hieronder vallen transferdecors die niet bij een van de vorige groepen horen. Er zijn bijvoorbeeld twee mythologische patronen:'Apollo' en 'Pegasus'. Verder zijn er marmermotieven, die voor onderzetters, snijplanken, lampetstellen en fonteintjes werden gebruikt. Opmerkelijk zijn de patronen met een houtnerfmotief ('Eiken' en 'Olm'), die vooral voor kannen werden gebruikt.Net als de marmermotieven zijn ze doorlopend.
Heel typisch is ook 'Filoche', een breed randmotief van netwerk, dat op allerlei serviesgoed werd aangebracht.
Regout
heeft ook kindergoed gemaakt, naast eet- en theeserviesjes met gouden
of gekleurde bies werd er kindergoed gemaakt met drukdecors als
'Clown', 'Swing' en 'Joy'. Behalve spelende kinderen werden ook wel
circus-scenes, tafereeltjes in de sneeuw, ruiters die van hun paard
dreigen af te vallen, soldaten of spoortreintjes afgebeeld. Al met al
heeft Regout in dit opzicht niet zo'n groot assortiment gehad.
Tenslotte is er nog het aardewerk met het bekende 'Boerenbont' patroon. Dit is een decoratie waarbij handgeschilderde en/of met een harde spons gestempelde (gesponste) patronen, volgens een schema in een of meerdere kleuren worden aangebracht. De patronen bestaan meestal uit een herhaling of een aaneenschakeling van losse motiefjes, die floraal of geometrisch zijn. De bloemmotieven zijn meestal zeer gestileerd: de bloemen, bladeren en knoppen hebben de platheid van een herbarium. De geometrische motiefjes laten zich goed aaneenschakelen.
Dit type decoraties werd in de loop van de 19e eeuw zo populair dat meerdere fabrieken ze maakten. Vergeleken bij de technisch gecompliceerde drukdecors waren handgeschilderde en gesponste patronen zonder veel investeringen te maken.
Het feit dat verschillende bedrijven hetzelfde maakten is niet bijzonder, het was de gewoonte om populaire producten, vaak op verzoek van klanten, over te nemen. Niet alleen Regout, maar ook Villeroy en Boch, de Société Ceramique en diverse fabrieken in Staffordshire hebben dit boerenbont gemaakt. De bakermat van deze decors is overigens Staffordshire en Yorkshire, waar het vanaf het begin van de 19e eeuw gemaakt werd, evenals (mogelijk) Schotland.
Het is aannemelijk dat Regout deze decoratiewijze niet los van bestaande voorbeelden heeft ontwikkeld. Regout was op de hoogte van de aardewerkproductie in Engeland en het is bekend dat hij o.a. voor de decorafdeling Engelse vaklui aantrok om de Engelse kwaliteit te evenaren.
Regout heeft dit 'Boerenbont' vanaf de jaren '60 van de 19e eeuw gemaakt.
Fabrieksmerken
Er zijn hierin twee soorten te onderscheiden: de blindstempels ("impressed marks'), die na het vormen van de voorwerpen, wanneer deze nog zacht waren, dus voor het bakken en glazuren, met een stempel in de voorwerpen werden gedrukt, en de drukmerken ("printed marks'), die pas na het bakken op de voorwerpen werden aangebracht. Bij Regout gebeurde dit meestal voor het glazuren, dus op artikelen in de biscuitstaat, hetzij met behulp van rubber (caoutchouc) stempeltjes, hetzij als transferdruk van het papier waarop een afdruk van een gegraveerde koperen plaat was gemaakt. Dit laatste gebeurde alleen als het fabrieksmerk en het decor samen op 1 plaat voorkwamen. Op artikelen met drukdecors komen meestal zowel een blindstempel als een drukmerk voor, waarbij soms het drukwerk over het eerder aangebrachte blindstempel heen is geplaatst. Dit is niet bevorderlijk voor de leesbaarheid van het blindstempel en het verminkt soms het drukmerk, hetgeen storend kan zijn bij het dateren. (afb. 6)
De drukmerken zijn te onderscheiden in:
Sphinxmerken zijn:
Blindstempels:
Deze zijn voor het merendeel in hol-relief aangebracht:
De periode waarin de verschillende typen blindstempels in gebruik zijn geweest, overlappen elkaar vaak.
Voor zeer gedetailleerde informatie over merken en dateringen verwijs ik graag naar: A.Polling, Maastrichtse ceramiek, merken en dateringen: P.
Regout (De Sphinx), N.A. Bosch, Clairmont en Chainaye, Societe
Ceramique, Guillaume Lambert, L. Regout (Mosa), F. Regout, Alfred
Regout (Rema), Lochem, 1989.