We moeten ons daarbij beperken tot de reconstructie van het kaartontwerp van de derde druk van de Nederland-kaart (ca. 1912, fig. 5). De eerste en tweede druk lijken vooralsnog van de aardbodem verdwenen, en zijn zelfs niet te vinden in het archief van de fraters, noch in het archief van het RKJW (thans uitgeverij Zwijsen, en ondergebracht bij het Regionaal Archief Tilburg).
I. De indeling van het land
Tijdens het maken van de allereerste ontwerpschetsen heeft Rafaël - als bijbelkenner - mogelijk gedacht aan die bekende spreuk in het boek Genesis: "In het begin schiep God hemel en aarde. Maar de aarde was nog ongeordend en leeg." Want hoe moet een leek op kartografisch gebied zoiets aanpakken? "Zoo sober mogelijk" staat er in het voorwoord van de tekenatlassen, en die indruk maakt de schoolwandkaart ook: duidelijk van een afstand, en relatief weinig topografie voor een schoolwandkaart uit 1898. Rafaëls ervaring met het aardrijkskunde-onderwijs en met het bevattingsvermogen van leerlingen op lagere scholen zal hiervoor bepalend zijn geweest. Collega-onderwijzers zoals R. Bos [Brink, 2006] en G. Prop [Brink, 2005a] zouden enkele jaren later ook veel succes hebben met sobere en duidelijke schoolwandkaarten.
Een sobere kaart dus, maar met grondsoorten (soms 'geologisch' genoemd) of staatkundig, d.w.z. met provinciekleuren? Grondsoortenkaarten van Nederland waren vanaf ca. 1875 in de mode, en in plaats gekomen van de staatkundige schoolwandkaarten uit de periode 1845-1875 [Brink, 2007b]. Starings schoolkaart (1860) en geologische kaart (1858-1867) en het in 1884 door de schoolgeograaf Schuiling geïntroduceerde concept van de 'natuurlijke landschappen' hebben deze ontwikkeling in belangrijke mate gestuurd. Maar fraters zijn veelal traditioneel en wars van modeverschijnselen. Waarschijnlijk vond Rafaël een indeling van Nederland naar natuurlijke landschappen te wetenschappelijk voor de lagere school. Op de vraag "waar ligt Tilburg?" moest het antwoord luiden "in Noord-Brabant", en niet "op het Maas- en Rijndiluvium". Ergo: een provinciegewijze behandeling van Nederland en kleuren voor de afzonderlijke provincies. Met de keuze van deze kleuren op de eerste druk zijn Rafaël en/of de ingehuurde drukker (waarschijnlijk W.R. Casparie en Zoon in Groningen) blijkbaar de mist ingegaan. De schoolgeograaf Niermeyer was zeer uitgesproken: "het is haast ongeloofelijk [leelijk van kleuren]". [Niermeyer, 1902] Deze kritiek was niet aan dovemans oren gericht, want de derde druk heeft aangename, zachte kleuren voor de provincies. Voeg daaraan toe een rood netwerk van spoorlijnen, duidelijke lichtbruine hoogtecijfers, en eenvoudige lichtbruine schrapjes voor de tekening van heuvels en duinen, en het ongeordende en lege land begint vorm te krijgen.
Er moest echter nog een beslissing worden genomen over de aardrijkskundige namen, een punt dat altijd veel discussie heeft losgemaakt in de onderwijswereld. Geheel blinde schoolwandkaarten zonder namen waren rond 1900 nog in zwang, maar Rafaël wilde de leerlingen deze 'vanbuitenleerderij' [Sigebertus Rombouts, 1941] besparen. Het lijkt er sterk op dat Rafaël voor de hoofdkaart als ontwerpprincipe heeft gehanteerd: alles moet op een flinke afstand nog goed leesbaar zijn. Maar van afstand leesbare, met grote letters gedrukte namen leveren een lelijk en onrustig kaartbeeld op. De tussenoplossing van Rafaël - grote beginletters van de namen van plaatsen, eilanden, rivieren en kanalen - is dan een logische stap: er worden geen te hoge eisen gesteld aan het geheugen van de leerlingen, overhoren is nog steeds mogelijk, de kaart blijft duidelijk en iedereen ziet hetzelfde. Beginletters werden rond 1900 ook al toegepast op de toonaangevende Duitse schoolwandkaarten van Justus Perthes. De eerste schoolwandkaart van Noord-Brabant van Van Lieshout uit 1856 is er tevens mee bezaaid (fig. 6), en heeft mogelijk als voorbeeld gediend voor Rafaël. In de provincie Noord-Brabant op Rafaëls kaart staan overigens relatief veel (40) plaatsen vermeld, ruim twee maal zoveel als in het volkrijke Zuid-Holland (18). Deze identificatie met de eigen katholieke groep was natuurlijk wel te verwachten.

7. 'Geologische kaart van het Koninkrijk der Nederlanden' van C.A.C. Kruyder uitgegeven door De Erven J.J. Tijl te Zwolle (1880, schaal 1:400.000, Bijzondere Collecties Bibliotheek Universiteit van Amsterdam). De kaart is een verkleinde uitgave van de 'Geologische Schoolkaart etc.' (eerste druk, 1878, schaal 1:200.000). Beide kaarten hebben een zwarte zee.
II. De zwarte zee en het licht in de duisternis
Het meest opvallende aan Rafaëls kaart is ongetwijfeld het feit dat de zee zwart is uitgevoerd. Het kan niet anders of Rafaël heeft dit overgenomen van Kruyders 'Geologische schoolkaart van het Koninkrijk der Nederlanden', de enige andere schoolwandkaart van Nederland met een zwarte zee (fig. 7). Commercieel gezien was dat een goede zet, aangezien de kaart van Kruyder in de periode 1878-1915 toonaangevend was en druk op druk beleefde (tabel 1). Een zwarte zee is uitzonderlijk, maar op Rafaëls kaart wel consequent, omdat alle rivieren, beken, kanalen en meren ook met zwart zijn aangegeven. Druktechnisch heeft het als voordeel dat er geen aparte kleur voor de zee nodig is, waardoor het aantal drukstenen niet al te groot wordt. Er kleeft echter één groot nadeel aan een zwarte zee: het is een onnatuurlijke kleur, en de kaart krijgt er een sombere, ja zelfs naargeestige uitstraling van. [Brink, 2004] Dit laatste moet Rafaël ook hebben beseft. De oplossing die deze godvruchtige frater voor dit probleem bedacht, staat al gegeven in het boek Genesis: "Over de wereldzee heerste duisternis. … God sprak: Daar zij licht." Rafaël plaatste zeven vuurtorens en de tot een vuurtoren omgebouwde kerktoren van Westkapelle op zijn kaart, elk met een zichtbaarheidsgrens (fig. 8). De zee ziet er door deze acht brengers van licht in de duisternis een stuk minder naargeestig en onveilig uit.

8. Fragment (Den Helder en omgeving) van Rafaëls schoolwandkaart van Nederland (derde druk, ca. 1912) met vuurtorens (Egmond, Kijkduin en Terschelling) en zichtbaarheidsgrenzen.
Vuurtorens worden op schoolkaarten weinig aangetroffen, en vuurtorens met zichtbaarheidsgrenzen zijn helemaal een zeldzaamheid. De aanwezigheid van deze grenzen in de schoolatlassen en schoolwandkaarten van Nederlands Oost-Indië van W. van Gelder kan Rafaël op een idee hebben gebracht. De met een rebus-achtig symbool (vuur op een toren) aangeduide 'voornaamste vuurtorens' op Rafaëls kaart geven niet alleen de zee een aangenamer aanzicht, maar de overlappende cirkels (straal circa 40 km) geven ook duidelijk het systeem van de aaneengesloten kustverlichting aan, waarbij vanaf veilige afstand van de kust altijd minstens één herkenbaar licht is te zien. [Crommelin en Suchtelen, 1978] Is het niet opmerkelijk dat dit voor een zeevarende natie relevante aspect op bijna geen enkele andere schoolkaart van Nederland te vinden is? Opvallend is ten slotte dat de vuurtorens van Ameland en Terschelling op Rafaëls kaart niet op de juiste plaats staan (Ameland: midden in plaats van westen; Terschelling: Noordvaarder in plaats van West-Terschelling). Rafaël is blijkbaar nooit op deze Waddeneilanden geweest. Wat had een Brabantse frater daar ook te zoeken?
III. Grondsoorten, landbouw en de versieringen
De vorm van Nederland maakt het mogelijk om in drie hoeken van een Nederland-kaart aanvullende gegevens te plaatsen. De linker bovenhoek, de Noordzee, wordt door zijn egale achtergrond meestal gebruikt voor de kaarttitel en andere kaartgegevens. Een deel van België in de linker onderhoek en/of een deel van Duitsland in de rechter onderhoek worden soms opgeofferd voor een legenda en/of inzetten. Rafaël heeft zich ook aan dit stramien geconformeerd, en kon daardoor met een grondsoortenkaartje van Nederland rechtsonder toch enigszins tegemoetkomen aan de vraag in de onderwijswereld naar grondsoorten en natuurlijke landschappen. Het is wel jammer dat hij daardoor afbreuk doet aan zijn eerder gehanteerde ontwerpprincipe dat alles op een flinke afstand nog goed leesbaar moet zijn. De grondsoorten zijn op de derde druk vrij grof getekend, en waarschijnlijk een generalisatie van een generalisatie van Starings geologische kaart (fig. 9 rechts). Verder zijn de kleuren voor het hoogveen - donkergeel - en het laagveen - roze - ongebruikelijk en verwarrend. De grondsoortenkaartjes op de vierde en vijfde druk zijn wat betreft tekening en kleurkeuze veel beter. Dat Rafaël gericht was op het verbeteren van elke druk van zijn kaart, blijkt overigens ook uit het vervangen op de vijfde druk van de term 'laagveen' door 'verdronken hoogveen' na een opmerking hierover in het tijdschrift voor onderwijsgevende kloosterlingen, 'Ons Eigen Blad'. [Velthuis, 1930]

9. Noord- en Oost-Nederland; links: fragment van de 'Landbouwkaart van Nederland voor schoolgebruik' van J.A. ten Klooster (uitgave P. Engels & Zn. te Leiden, 1881, Bijzondere Collecties Bibliotheek Universiteit van Amsterdam); rechts: fragment van het grondsoortenkaartje van Rafaëls schoolwandkaart van Nederland (derde druk, ca. 1912). De productnamen vertonen vrij veel overeenkomsten.
De bemoeienissen van de fraters met het agrarisch onderwijs en de opkomst van de economische geografie rond 1900 hebben waarschijnlijk veroorzaakt dat op het grondsoortenkaartje ook producten van landbouw en veeteelt met hun namen staan aangegeven. Voor deze namen geldt nog sterker dan voor de grondsoortenkleuren dat ze op geringe afstand al onleesbaar zijn, en daarom eigenlijk niet thuis horen op een wandkaart. Het idee voor deze productnamen en mogelijk ook een deel van de gegevens zelf lijken afkomstig van één van de eerste thematische schoolwandkaarten in Nederland: de 'Landbouwkaart van Nederland voor schoolgebruik' van J.A. ten Klooster uit 1881 (fig. 9). [Brink, 2007c] Op de kaart van Ten Klooster worden de producten echter gerelateerd aan het bodemgebruik (weiland, bouwland, woeste grond), en niet - zoals bij Rafaël - aan de grondsoorten.
Rafaëls kaart bevat in vergelijking met andere schoolwandkaarten relatief veel versieringen: het brede sierkader, het wapen van Nederland, de sierletters van de kaarttitel en het opgekrulde inzetkaartje. Verwonderlijk is dit niet want, zo valt in de 'Encyclopedie van Noord-Brabant' te lezen, "de katholiek neigt tot opsiering". De krul van het grondsoortenkaartje is misschien een ode aan de met een vergelijkbare krul uitgevoerde 'Schoolkaart voor de natuurkunde en de volksvlijt van Nederland' van Staring uit 1860, de eerste grondsoortenkaart van Nederland. Het wapen van Nederland lijkt de oranjegezindheid van katholieken te willen benadrukken, in een tijd dat in sommige kringen nog steeds de betrouwbaarheid van katholieken als staatsburgers werd betwijfeld.