Kunstpedia - http://www.kunstpedia.com
Het Muntgezellenkostuum - Een opvallende verschijning in de munthuizen
http://www.kunstpedia.com/articles/749/1/Het-Muntgezellenkostuum---Een-opvallende-verschijning-in-de-munthuizen/Page1.html
Luijt, Janjaap
Janjaap Luijt verricht onderzoek naar Nederlands goud- en zilver in de ruimste zin van het woord en bezit hij een grote kennis van de goud- en zilvermerken, die voor de bestudering van antiek goud- en zilverwerk onmisbaar is. Hij is auteur van diverse artikelen en van Het Zilverlexicon voor Nederland en België en since 2004 redacteur van het tijdschrift De Beeldenaar. Janjaap Luijt is oprichter en beheerder van Ag&Au Silverresearch.

Website : Ag&Au Silverresearch
 
By Luijt, Janjaap
Published on 7 May 2010
 
In het verleden was het dragen van een ambtstenue voor veel beroepen meer een gebruik dan tegenwoordig. Ministers  droegen een uniform compleet met steek en boden waren veelal herkenbaar aan hun bodebus. In verschillende munthuizen ging de jongste leerling of gezel gekleed in een eigen pak: het muntgezellenkostuum.

In het verleden was het dragen van een ambtstenue voor veel beroepen meer een gebruik dan tegenwoordig. Ministers  droegen een uniform compleet met steek en boden waren veelal herkenbaar aan hun bodebus. In verschillende munthuizen ging de jongste leerling of gezel gekleed in een eigen pak: het muntgezellenkostuum. [1]

In het Huis Bergh te 's-Heerenberg bevindt zich een groepsportret van een muntmeester met zijn gezellen (afb. 1). Dit schilderij werd rond 1581 op paneel geschilderd. Het toont acht mannen, die opgesteld staan achter een tafel. Op de tafel liggen enkele muntstukken en staat geschreven: Des Coninc t Mustn tot Nimmegen ende Maestricht, daartoe des Graven van desa Berch ende der stat Zaltbommels Munten heb lek bedient. Ghij siet bier bij mijn geselles die moeten altut meth wlijt maer eerlick ende z'roem mauatwerck stellen. A° 1581.


Afb. 1 Portret van muntmeester Clemens van Eembrugge en zijn personeel
Anoniem, 1581. Foto : Museum Huis Bergh, 's-Heerenberg


Uit deze informatie valt te herleiden dat de hoofdpersoon op het schilderij muntmeester Clemens van Eembrugge (ca. 1538-1597?) is. De andere zeven personen zijn gezellen van hem. Clemens was de oudste zoon van Reinier van Eembrugge (ca. 1500-1558), muntmeester te Nijmegen. Na de dood van zijn vader, in 1558 namen Clemens en zijn moeder als erfgenamen het ambt provisioneel waar. In 1564 werd Clemens benoemd tot muntmeester in de Koninklijke Munt van Maastricht.  Hoe lang hij hier verbleef is niet bekend, maar hij diende hier in ieder geval tot 1565. In 1577 werd Clemens van Eembrugge door graaf Willem IV van den Bergh (1537-1586) aangesteld tot muntmeester van de heropende Munt in Hedel. Na een jaar raakte hij echter in ongenade bij zijn broodheer en vertrok hij naar het nabij gelegen Zaltbommel. Hij trad daar in dienst van Frederik van Bergh, een broer van Willem van Bergh, die partij had gekozen voor de Spanjaarden. Clemens voerde in Zaltbommel als muntmeester van 1579 tot 1581 de scepter over het stedelijk munthuis.

In 1583 trad Van Eernbrugge in contact met Willem van den Bergh over het hervatten van de Berghse Munt. Dit leidde ertoe dat hij in oktober 1584 voor de tweede keer als muntmeester bij Willem van Bergh in dienst kwam. Na het overlijden van de graaf in 1586, ging Clemens terug naar Zaltbommel, waar hij in 1597 voor het laatst in de archieven vermeld wordt. [2]
Het schilderij van Clemens van Eernbrugge en zijn personeel is ongesigneerd. De datering is gebaseerd op de verklarende tekst op de tafel: 1581. Mogelijk is het schilderij gemaakt ter gelegenheid van Van Eembrugge's eerste afscheid van de stadsrnunt van Zaltbommel. Dit artikel handelt niet over muntmeester Clemens van Eernbrugge maar over de uitdossing van een van de muntgezellen, de persoon geheel rechts op het schilderij. Hij doet wat betreft zijn kleding het meest denken aan een nar. Terwijl de overige mannen deftig gekleed gaan, draagt de jongste muntgezel een veelkleurig pak en een kap met bellen. Een dergelijk kostuum blijkt vaker binnen het muntbedrijf gedragen te zijn door de jongste muntgezel.


Afb. 2 Muntgezellenpak afkomstig van de Munt van Zellerfeld in het hertogdom Brunswijk, ca. 1663
Foto : Historisches Museum Hannover



Duitse voorbeelden
In Nederland zijn geen voorbeelden van een dergelijk muntgezellenkosruum bewaard gebleven. Het Historisch Museum am Hohen Ufer in Hannover, Duitsland, bezit een vrijwel compleet pak. [3] Dit pak (afb. 2) was eertijds eigendom van de Munt van Zellerfeld in het hertogdom Brunswijk. Net als het pak van de muntgezel op het schilderij in 's-Heerenbergh, betreft het een veelkleurig, narachtig tenue, van aan elkaar gezette stroken blauwe, gele, rode, groene, witte, grijze en zwarte stof. De bijbehorende kap in dezelfde kleuren als het pak, heeft twee ezelsoren. De rugzijde van het kostuum toont het, in zijde geborduurde, wapen van het huis Braunschweig zu Wolfenbiittel. Aan de hand van de beschadigingen van de stof is bepaald dat aan dit kostuum oorspronkelijk achttien zilveren bellen hebben gehangen.

Hiervan zijn nu nog negen bewaard gebleven. [4] De grootste ervan is gegraveerd met het hertogelijk wapen, dat van 1636 tot 1680 door het huis Liineburg (Celle) zu Hannover gevoerd werd. Mogelijk is deze bel destijds door de hertog aan de Munt geschonken. 'Twee andere bellen zijn met slingermotieven gegraveerd, terwijl de overige namen en jaartallen dragen. De namen zijn mogelijk van de muntgezellen die dit pak gedragen hebben en de jaartallen verwijzen in dat geval naar het jaar van hun beëediging. De bellen zijn gedateerd tussen 1663 en 1782.


Afb. 3 Glas-in-lood raam afkomstig van de Munt te Schaffhaussen, Zwitserland, Anoniem, 1565
Foto : Staatliche Museen zu Berlin, Munzkabinett



De kap met oren en bellen doet denken aan een narrenkap. Door de vorm en de kleur van het kostuum zal de jongste van de muntgezellen een opvallende verschijning zijn geweest. Waarom de muntgezel in een dergelijke uitdossing moest rondlopen is niet bekend. Het geluid van de bellen en de veelkleurigheid van het kostuum moesten waarschijnlijk de aandacht trekken en omstanders attenderen op de komst of aanwezigheid van degene die door de jongste muntgezel werd begeleid: de muntmeester. De oudst gedrukte bron waarin het dragen van een dergelijke uitrusting wordt beschreven, is een ordonnantie uit 1571 van keizer Maximiliaan II (1527-1576). Deze handelde over het muntwezen in het Duitse Rijk. Een van de bepalingen in de ordonnantie gebood dat een leerling aan een Duits munthuis gedurende zijn leertijd van vier jaar bij het verrichten van hun werkzaamheden een zotte kap (eine thörliche Kappe) diende te dragen. [5] Dit voorschrift bevestigde een bestaande situatie, aangezien in enkele Duitse munthuizen al eerder het muntgezellenpak werd gedragen. Uit archiefstukken blijkt dat bijvoorbeeld in Hannover het muntgezellenpak reeds in 1535 in gebruik was. Ook bestaan er van vóór 1571 voorstellingen waarop een muntgezel in vol ornaat staat afgebeeld. De oudst bekende is een aquarel in het Schwazer (Ettenhardes) Bergbuch uit 1556. [6] Deze is de eerste van een groot aantal afbeeldingen uit het Duitse cultuurgebied. Uit 1565 stamt een glas-in-lood raam van de muntmeester Wener Zenckgraff van de Munt in Schaffbausen, Zwitserland (afb. 3). Het raam geeft de werkzaamheden binnen het munthuis weer, waarbij op de negende scène een muntleerling met een narrenkap zichtbaar is. [7] Te zien is hoe hij de warmgestookte muntplaatjes uit de oven haalt. [8]

Ook op een gevelsteen uit 1572, die de Munt van Einden aan de Neutorstrafie sierde, zijn de activiteiten binnen deMunt uitgebeeld (afb. 4).


Afb. 4 Gevelsteen afkomstig van de Munt van Emden, Anoniem, 1572.
Foto: Ostfriesische Landcsmuscum, Einden

 

Vier  volwassen mannen zijn bezig met het slaan van munten. Te midden van deze lieden staat een duidelijk jonger persoon met een narrenkap op zijn hoofd. Hij schenkt drank in voor de aanwezigen.[9]

De werkzaamheden van muntmeester Hans Zieíiler in het Beierse Neumarkt zijn afgebeeld op een gouache uit 1625 in het liber amicorum van J.C. Wolff (?-?) (afb. 5). Wederom zijn het twee volwassen mannen die zich met het munten bezighouden. De jongere muntgezel gaat ook hier gekleed in een muntgezellenkostuum. De dracht van deze Beierse muntgezel is als vanzelfsprekend in de Beierse kleuren, blauw en wit. Opmerkelijk is (lat de muntgezel, evenals in het geval van Emden, bezig is de aanwezige volwassenen te voorzien van drank en eten. [10] Ook een achttiende-eeuwse gravure van Fehlingh (1683-1753) toont muntgezellen in een muntgezellenpak. De afgebeelde personen maken deel uit van een defilé ter ere van het huwelijk tussen keurprins Friedrich August en Maria Josepha van Oostenrijk in 1719. [11]

Het gebruik van het muntgezellenpak blijkt niet enkel uit afbeeldingen waarop het wordt aangetroffen, maar ook uit schriftelijke bronnen. Bekend is onder meer dat het muntgezellen-kostuum ook gedragen werd in de munthuizen te Gittingen (1572), Bremen (1610) en Braunschweig (1620). [12] Concluderend kan worden gesteld dat vanaf de zestiende tot in de achttiende eeuw het muntgezellenkostuum binnen het Duitse cultuurgebied regelmatig wordt aangetroffen.


Afb. 5 Gouache voorstellende de muntwerkzaamheden aan de Munt van Beieren, J.C. Wolff(?-?), 1625
Foto: Historisches Museum Hannover




In Nederland
Het schilderij van de muntmeester Clemens van Eembrugge met zijn personeel toont aan dat ook in de Nederlanden het gebruik van een speciaal kostuum voor de muntleerling bekend was. Uit verschillende bronnen blijkt dat het dragen van een dergelijk pak niet alleen beperkt bleef tot de Munt van Zaltbommel, de stad waar Van Eembrugge zich waarschijnlijk liet portretteren. Van de in Nederland gebruikte kostuums zijn voor zover bekend geen exemplaren bewaard gebleven. Het enige tot nu toe thuisgebrachte overblijfsel van een Nederlands muntgezellenkostuum bevindt zich in Het Nederlands Muntmuseum te Utrecht. Dit museum bezit een zilveren bel (afb. 6), die deel uitmaakte van een dergelijk kostuum (massa 75 g., diameter 66 mm). In 1851 was de hel nog in bezit van de toenmalige smidmeester hij 's-Rijks Munt, Nicolaas Jacobus Godron.


Afb. 6 Bel afkomstig van het kostuum van do muntgezel aan de Munt te Utrecht, zilver, Willem van Gamneren (Utrecht 1674-1746 Utrecht), 1720.
Foto: Het Nederlands Muntmuseum, Utrecht.



Uit de keurtekens blijkt dat hij is gekeurd in 1720 en ter keuring werd aangeboden door de Utrechtse zilversmid Willem van Garneren (Utrecht 1674-1746 Utrecht). Aangenomen wordt dat de hel werd vervaardigd in opdracht van de Provinciale Munt van Utrecht. Op de bel staan diverse muntgereedschappen gegraveerd, waaronder een munthamer, een onderstempel, een bovenstempel, een beslaghamer en een beslagtang. Tussen deze voorwerpen is een wapenschild afgebeeld, met daarin twee gekruiste tin-haken. Het is niet bekend aan wie dit wapen toebehoorde. Mogelijk werd het wapenschild gevoerd door de muntgezellen van de Provinciale Munt van Utrecht. Op de bel staat verder te lezen: Den smitmeester en samentl jke omens. Omen was in het achttiende-eeuws Nederlands een andere benaming voor muntgezel.

Waarschijnlijk hoorde de bel bij een pak dat vergelijkbaar is met dat van de Munt van Zellerfeld. In een van de weinige publikaties over deze bel meldde L.L. Bosch in 1861 dat die deel uitmaakte van een onderscheidingskleed. Ook schreef hij dat dit kleed werd gedragen door de jongste muntgezel of leerling als hij buiten de Munt in functie was, zodat hij duidelijk herkenbaar was als muntgezel. [13] Mogelijk was het kleed voorzien van het provinciaal wapen.

Harderwijk
Ook bij de Provinciale Gelderse Munt te Harderwijk was het gebruik van een muntgezellenkostuum bekend. De jongste Harderwijkse muntjongen had `de kap vast aan zijne ouwerwetsche bonte kleeding, drie zilveren bellen en twee ezelsooren ... en daarbovenop erop een groote hanekam van rood laken'. [14] Uit schriftelijke bronnen blijkt dat de ouwerwetsche bonte kleeding van de muntleerling in Harderwijk in blauw en rood was uitgevoerd. Een brief uit 1711 waarin de eisen werden beschreven waaraan een nieuw aangestelde gezel moest voldoen vermeldde: `... en te gaan .met cap en rok ...'. [15]

Dat het muntgezellenkostuum van grote waarde werd geacht aan de Munt van Harderwijk, blijkt uit de opdracht die muntmeester Johan Hensbergen (muntmeester in Harderwijk van 1731  - 1748) in 1733  gaf om een kastje te laten maken om de muntrok in op te hangen. [16]


Afb. 7 Quitantie voor een muntgezellenkostuum voor de Munt te Harderwijk (Rijksarchief in de provincie Gelderland).
Foto: J. Luijt.



Ter gelegenheid van de visitatie en controle van de Gelderse Munt door de Raden en Generaalmeesters van de Generaliteits muntkamer werd in 1712 de muntgezel vereerd met een zilveren bel, waarop het wapen van de provincie stond gegraveerd.'- In 1731 liet de net aangestelde muntmeester Johan Hensbergen voor de muntjongen een nieuwe rok maken. De muntgezel kreeg het pak ter ere van de opening van het gerestaureerde muntgebouw (afb. 7).[18]  In het daarop volgende jaar betaalde de Gelderse muntmeester aan de Amsterdamse zilversmid Anthony Kroll [19] voor een zilveren bel van 13 lood 81/2 engels (= ca. 213 g) ruim achtentwintig gulden. Deze was bedoeld om aan het muntgezellenkostuum te worden bevestigd. De kosten voor het nieuwe pak werden in de rekeningen opgenomen onder de post voor de restauratie van het muntgebouw. [20] In 1744 werd nogmaals een zilveren bel voor de muntrok geleverd.[21] Na de opheffing van de Provinciale Gelderse Munt te Harderwijk in 1805 waren volgens een inventaris uit 1812 nog drie zilveren bellen aanwezig. [22] Het is niet bekend of dit de exemplaren van 1712, 1732  en 1744 waren en waar deze bellen zijn gebleven.

Dordrecht
De Hollandse Munt was sedert 1367 gevestigd in Dordrecht. In 1671 werd deze vanwege oorlogsdreiging vanuit Frankrijk tijdelijk van Dordrecht naar Amsterdam overgebracht. Onder leiding van Gerrit Romunt Arentszn (ca. 1640-1707; muntmeester in Amsterdam 1672-1673 en van de stad Zwolle 1672-1684) was de Hollandse Munt gedurende twee jaar actief in Amsterdam. Een tijdgenoot vertelt dat ook daar de muntleerling een speciaal pak droeg. `Toen de jongste muntgezel, in 't eerste, te Amsterdam langs de straten ging, had hij gewoonlijk een sleep van kinderen achter zich, en veel groote luyden, die dit onkundig waren, bleven staan, en meenden dat hij gek was'. [23] De opvallende dracht was voor de Amsterdammers, die nog niet eerder een munthuis hadden gehad, kennelijk een onbekend en wonderlijk verschijnsel. In Dordrecht was het gebruik van het muntgezellenkostuum blijkbaar wel gewoon.

Volgens dezelfde bron was het dragen van de muntrok `het recht en manier van alle munten, dat altijd de jongste gezel, gelijk men dien noemt, moet dragen een rok, met een liverij van 't landt of stadt daar de Munt is en een kap daar aan, die achter op den rugh hangt, met een deel groote bellen daaraan vast, die veel van zilver zijn, en hem, zoo mi en dan, vereerd worden.' Dit bevestigt dat in andere munthuizen in de Republiek de jongste muntgezel eveneens een dergelijk kostuum droeg.


Beladen met symboliek
Uit het midden van de achttiende eeuw stamt de laatste vermelding waarin het gebruik van het muntgezellenkostuum in Nederland nog wordt genoemd. Dit manuscript van de hand van Marcellus Emants (1706-1792, Essaijeur-Generaal in het College van Raden en Generaalmeesters 1742-1781)  bevindt zich in de bibliotheek van Het Nederlands Muntmuseum.[24] Emants schreef dat op dat moment het muntgezellenpak in de Verenigde Nederlanden nog op twee munthuizen werd gedragen, waarvan hij er één met name noemt. Dit was de provinciale Munt van Gelderland, waar volgens hem een dergelijk pak nog werd gedragen door `den jongste aankomende werkman, die sig in den dienst op de Lente begeeven heeft'. Deze droeg het kostuum om `van de meer ervaarene te werden gedistingueert'. Behalve het Gelderse kostuum beschreef Emants in het manuscript nog een muntgezellenpak in de kleuren rood en geel.

Het is aannemelijk dat hij het kostuum bedoelde, dat op het munthuis van de Hollandse Munt te Dordrecht werd gedragen, aangezien de kleuren rood en goud voorkomen in het wapen van Holland. Dit zou overigens betekenen dat het muntgezellenkostuum tussen 1720  en de tijd van Emants in onbruik is geraakt in de andere munthuizen.

Het door Emants beschreven pak liep naar beneden af in punten en was bezet met ronde witte en gele lapjes. Op de rug en onder aan het pak hingen zilveren bellen. Op de borst en rug van het pak was het wapen van de provincie waarin het werd gedragen aangebracht. Bij het pak hoorde een kap waarop een grote rode hanenkam was geplaatst. Verder hing aan beide zijden van de kap een ezelsoor. Dit kostuum was dus vergelijkbaar met het pak dat in Hannover bewaard is gebleven.

Emants gaf in het manuscript een toelichting op de betekenis van de attributen. De gele en witte ronde lapjes symboliseerden de gouden en zilveren geldstukken die op de Munt werden geslagen, terwijl de bellen zouden aangeven dat het munten van geld altijd door iedereen gezien en gehoord mag worden. De hanenkam op de kap zou verwijzen naar de waakzaamheid die op de Munt betracht moet worden, maar vooral ook om vroegtijdig het werk te beginnen. Tot slot dienden de ezelsoren de domheid van de drager tot uitdrukking te brengen. De ezelsoren verwijzen naar de mythologische koning Midas van Frygië. Deze koning mocht van Bacchus een wens doen, nadat Midas hem geholpen had. Midas wenste dat alles wat hij aanraakte zou veranderen in goud. Eten en drinken werd onmogelijk en ,Midas smeekte Bacchus de wonderkracht weer weg te nemen. Midas beging daarna nog een grote dwaasheid. In een muzikale tweestrijd tussen Pan en Apollo verkoos Midas het gepiep van Pans fluit boven het snarenspel van Apollo. De laatste bestrafte deze daad, door Midas' oren te laten uitgroeien tot ezelsoren, opdat een ieder zou weten hoe dom de koning was. [25]

Bellen aan meerdere ambtskleden
Publikaties over het muntgezellenkostuum beperkten zich tot nu toe tot afbeeldingen en archiefstukken afkomstig uit het Duitse cultuurgebied. Dit artikel laat zien dat dergelijke pakken ook in de Nederlandse munthuizen werden gedragen. Wellicht was het gebruik van het muntgezellenkostuum ook in gebruik in andere delen van Europa. [26]

De auteur Von Rohr meent dat het pak met kap van oorsprong diende om de muntgezel te beschermen tegen de hitte van het fornuis of de oven. [27] Uit deze werkkleding zou in de zestiende eeuw het muntgezellenkostuum zijn ontstaan dat als staatsiekleed diende. De eerste meldingen van het gebruik van zilveren bellen aan het kostuum stammen uit deze periode. Het bevestigen van bellen aan een ambtskleed kwam in de late Middeleeuwen al voor. Een voorbeeld hiervan is te vinden op een aquarel van Joost van Attevelt (Utrecht 1621-1692 Utrecht) naar een gebrandschilderd venster in het Duitse Huis te Utrecht. Op de afbeelding zijn de Utrechtse burgemeesters te zien in hun ambtstenue waaraan bellen zijn bevestigd (afb. 8). Deze bellen hadden in die tijd zeker niet tot doel de drager ervan belachelijk te maken. Bekend zijn afbeeldingen van stadsboden, burgemeesters en bischoppen, die aan hun kostuum bellen droegen. [28]

In de achttiende eeuw werd het dragen van het muntgezellenkostuum niet langer beschouwd als een voorrecht en werd het kostuum expliciet omschreven als een narrenpak.


Afb. 8 De burgemeesters en oudermannen van Utrecht naar een gebrandschilderd venster in het Duitse I luis te Utrecht (detail), aquarel op perkament,. Joost van Attevelt (Utrecht 1621-1692 Utrecht).
Foto: Centraal Museum, Utrecht.


Summary
At several German mints the youngest pupil had to wear a special costume, with resembles a joker's suit. Research in several archives proves that in the Northern Netherlands the use of such costume was also common at the provincial mints of Hardewijk, Utrecht, Amsterdam an possibly Dordrecht. The origin of this costume probably derived from the official robes worm by bishops and mayors.



COPYRIGHT 1996 Janjaap Luijt, alle rechten voorbehouden
Niets uit dit artikel, inclusief begeleidende illustraties, kan of mag gereproduceerd worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurrechtelijke houder.




 
Het Zilverlexicon voor Nederland en België

Het Zilverlexicon is een encyclopedisch overzichtswerk toegespitst op zilver uit Nederland en België. Dit standaardwerk bevat in alfabetische volgorde talrijke nuttige gegevens over zilver in de ruimste zin van het woord. In bijna 3000 lemma's behandelt Het Zilverlexicon benamingen van voorwerpen, stijlen, technieken en topstukken, zoals liefhebbers en professionals die gebruiken. Daarnaast komen ook de belangrijkste edelsmeden, zilvermerken en productiecentra aan bod.

Het grote aantal foto's, tekeningen en zilvermerken geven het boek een belangrijke visuele meerwaarde. De vertaling van bijna alle woorden in de talen Engels, Duits en Frans bieden de gebruiker de mogelijkheid om buitenlandse vakliteratuur in die talen beter te begrijpen.

De auteur, bekend van publicaties zoals Goud, Dokkumer Zilver en Schoonhovens Zilver St. Eloy, is er in geslaagd een boek over zilver samen te stellen dat vrijwel alle gebruikelijke en ongebruikelijke termen en begrippen op het gebied van zilver behandelt. Een bijzonder handig naslagwerk voor verzamelaars, liefhebbers en professionals. Het Zilverlexicon verschijnt in navolging op Het Klokkenlexicon.

Auteur
Bladzijden
Illustrations
ISBN                                         
Janjaap Luijt
384
573
9789040091162

Bestellen >>




Noten

  1. Dit artikel kwam tot stand met hulp van Marten Jan Bok; Rudi Ekkart, Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie; Maja Houttaan; Arent Pol, Rijksmuseum Het Koninklijk Penningenkabinet, Leiden; Albert Scheffers, Het Nederlands Muntmuseum, Utrecht; en Hugo Vlasbloem. Voorts gaat mijn dank uit naar een ieder die in het verleden Het Nederlands Muntmuseum gegevens verstrekte met betrekking tot muntgezellen.
  2. F.B.M. Tangelder, Muntheer en Muntmeester. Een studie over het Berghse muntprivilege in de tweede helft der zestiende eeuw, Arnhem, 1955.
  3. A. von Rohr, Niedersächsische Landesgeschichte im Historischere Museum Hannover, Hannover, 1985. pp. 143-144.
  4. Ortwin Meier, Das Gewand eines Münzer-Lehrlings aus der Mitte des 17. Jahrhunderts, in: Munzrepliken, Band 7, Norddeutsche Landesbank Girozentrale, 1986. pp. 72-88.
  5. Wiewohl auf des heil. Reichs teutscher Nation Münzen und Münzwerk von Alters und unvordenklichen Jahren Herkommen und gehalten worden, dass alle diejenigen, so das Münzen zu Lernen sich unterstehen, zuvor auf einer redlichen und bewährten des heil. Reichs Münze ihre freie eheliche Geburt darthun und bezeugen, auch in ihren vier Lebrjahren eine thörliche Kappe gebrauchen und tragen, dazu alle Dienste, Mübe und Arbeit auf den Münzen thun u.s.w.
  6. Tiroler Landesmuseum Ferdinandeum Innsbruck, Inv. Dip. 856, fol. 97v.
  7. Münzkabinett Staatliche Museen zu Berlin.
  8. Dergelijke glas-in-lood ramen werden eveneens aangetroffen bij de Munt in Straatsburg (1582) en in Luzern (1586). Deze beide ramen bevinden zich tegenwoordig in het Musée de la Monnaie, Parijs.
  9. Anton Kappelhoff, Die Münzen Ostfrieslands vom frühen 14. Jahrhundeet bis 1628, Verlag Ostfriesische Landschaft Aurich, 1982. afb. 15.
  10. Stammbuch des J.C. Wolff, 1625, fol. 39v. Collectie: Hannover, Historisches Museum, Nds. Landesmuseum Erwerhungen 2200 Leingabe der Niedersächsischen Landesgalerie; A. von Rohr, Niedersächsische Landesgeschichte im Historischen Museum Hannover, Hannover, 1985. pp. 144-146; Christian Stoess in: Stadt im Wandel, Kunst und Kultur des Bürgertums in Norddeutschland, Braunschweigisches Landesmuseum, 1985. pp.907-908.
  11. Staatliche Kunstsammlung Dresden, Kupfertischkabinett.
  12. A. Von Rohr, Zum Münzlehrlinggewand aus Zellerfeld in Harz (urn 1663), in: Waffen- und Kostümkunde, jrg. 36 (1994) pp. 1-12.
  13. L.E. Bosch, Utrechtse Volksalmanak voor 1861, Utrecht,1860.
  14. G. van Hasselt, Anhemsche Oudheden, 2° deel, p. 73.
  15. Rijksarchief in Gelderland, Archief van de Rekenkamer, inv. 635, 1711.
  16. Rijksarchief in Gelderland, Archief van de Rekenkamer, inv. 280, 1733.
  17. W.I. de Voogt, Geschiedenis van het muntwezen der Vereenigde Nederlanden, Amsterdam, 1874. blz. 58.
  18. De kosten van de nieuwe rok bedroegen: aan blauw en rood laken zevenentwintig „Vulden en twaalf stuivers, voor de wapens vierentwintig gulden, voor de koorden en kwasten achttien gulden en zes stuivers en voor rood saaij acht gulden. Aan maakloon werd elf gulden uitgegeven.
  19. De zilversmid Anthony Kroll wordt niet genoemd in: K.A. Citroen, Amsterdamse Zilversmeden en hun Merken, Amsterdam, 1975. In K.A. Citroen, Dutch Goldsmith's' and Silversmiths' marks and names prior to 1812, Primavera Press Leiden, 1993: meesterteken onbekend, meester vanaf 1717.
  20. Rijksarchief in Gelderland, Archief van de Rekenkamer, inv. 624.
  21. Rijksarchief in Gelderland, Archief van de Rekenkamer, inv. 280, 1743 (verzoek) en 1744 (afrekening).
  22. Het Nederlands Muntmuseum Utrecht, Archief van 's Rijks Munt (1814-1909), inv. 57.
  23. P. Valkenier, 't Verwerd Europa, ofte politijke een historische beschr yvinge der waare fundamenten en oorlaken vaan de oorlogen en revolatien in Europa, Amsterdam, 1675.
  24. Het Nederlands Muntmuseum, Collectie Manuscripten.
  25. Ovidius, Metamorphoses.
  26. Op een muurschildering in de Munt van Lissabon staat een jongen afgebeeld in een pak dat vergelijkbaar is met de in deze publikatie getoonde voorbeelden.
  27. A. Von Rohr, Zutn Münzlehrlinggewand aus Zellerfeld in Harz (um 1663), in: Waffen- und Kostümkunde, jrg. 36 (1994) pp. 1-12.
  28. Een bijvoorbeeld van een bischop: La spozalizio della virgine, Bartolomeo Gennari (Cento 1594 - Bologna 1663) (Musco Civico Modena, inv. 287).