J. Luijt en M. Houtman

Bij de vrede van Tilsit (juni 1807) verwierf Napoleon het graafschap Oost-Friesland van de koning van Pruisen. Van de tsaar van Rusland eigende hij zich de heerlijkheid lever toe. In november 1807 droeg Napoleon deze gebieden, in het Hollands-Franse verdrag van Fontainebleau, over aan zijn broer, Lodewijk Napoleon, koning van Holland. Het verworven gebied kwam als het departement Oost-Friesland onder `Hollands' bestuur, met de daarbij behorende wetgeving. De Hollandse wetgeving op gouden en zilveren werken van 11 maart 1807 werd ook van kracht in het nieuw verworven departement. De wet regelde de keuring en de inning van de belasting op deze luxe. De minister van Financiën, I.J.A. Gogel, die verantwoordelijk was voor de uitvoering van de wet op de gouden en zilveren voorwerpen, besloot in het nieuw verworven departement ook keurkamers op te richten.

Alvorens deze te installeren, werd een inventarisatie gemaakt van het aantal goud- en zilversmeden in de verschillende Oostfriese plaatsen. Aan de hand van de gemaakte inventarisatie besloot de koning tot de oprichting van keurkamers in de steden Aurich, Emden, Jever, Leer en Norden. Per keurkamer werden drie keurmeesters en één buitengewoon keurmeester aangesteld. De keurkamer van Emden kreeg, vanwege het grote aantal in Emden gevestigde werkmeesters en kasthouders, vier keurmeesters en twee buitengewoon keurmeesters. Het gebied dat onder één keurkamer viel kwam overeen met het arrondissement met dezelfde naam als de plaats waar de keurkamer was gevestigd. Alleen het arrondissement Esens viel onder een andere keurkamer, die van Jever. De inning van de belastingen door de Oostfriese keurkamers kwam onder toezicht van de ontvanger der beschreven middelen over het arrondissement Aurich.

De essayeur-generaal van de Munt, W.A.A. Poelman, maakte zeven ontwerpen voor keurkamertekens voor de nieuwe keurkamers. Hieruit zou de minister van Financiën er vijf mogen kiezen. Opmerkelijk is dat bij het ontwerpen van de Oost-Friezen keurkamertekens geen rekening werd gehouden met de stadswapens van de steden waarin de keurkamers gevestigd waren. Bij de invoering van de wet in 1807 in de andere delen van het koninkrijk was hier wel naar gekeken en waren de keurkamertekens afgeleid van de stadswapens. Voor de nieuwe gebieden werd een verband tussen het stadswapen en het keurkamerteken niet noodzakelijk geacht.


Afb. 1 Visschep.
Zilver. Merken: Emden (1809-1812), meesterteken DB (Dirk Bijl), gehalte 10, jaarletter d (1811-1812); gekroonde E (1811-1813); gekroonde V (1814-1893). Collectie Ostfriesiche Landesmuseum, Emden.




Gekroonde O
Bij de invoering van de wet op gouden en zilveren werken in 1807 konden de werkmeesters en kasthouders reeds vervaardigde gouden en zilveren werken, gedurende enkele weken, vrij van belasting laten stempelen met een gekroonde O. Over werken die niet binnen de voorgeschreven termijn met de gekroond O waren gestempeld, dienden zij belasting te betalen. Deze voorwerpen werden gestempeld met een gekroonde B.

Ook de werkmeesters en kasthouders in Oost-Friesland en Reiderland (het gebied tussen de Eems en Groningen) werden in staat gesteld reeds vervaardigde gouden en zilveren voorwerpen te laten merken met de gekroonde O. In de periode van 4 tot 18 april 1809 stempelden de keurkamers met dit merk. Om misbruik te voorkomen werden de stempels met de gekroonde 0 pas een dag van te voren aan de keurkamers toegestuurd en verscheen toen pas de eerste openbare bekendmaking.

De goud- en zilversmeden in Emden wilden de termijn waarin met de gekroonde 0 gestempeld mocht worden laten verlengen tot zes maanden. Hun verzoek aan de koning werd echter afgewezen, omdat dit teveel nadelen met zich zou meebrengen. Na 18 april mochten er geen oude werken meer verkocht worden zonder gekroonde 0, tenzij de belasting betaald was, en het werk gestempeld met de gekroonde B.


Afb. 2 Visschep.
Zilver. Merken: Aurich (1809-1812), meesterteken K (Kittel of Kettwich), gehalte 10, jaarletter d (1811-1812). Lengte 50 cm., breedte 11 cm.

De schep is voorzien van een ebbehouten handvat, met aan het uiteinde een ivoren bolletje. Op de achterzijde van de visschep staat een stippelgravure: A.F.W. Particuliere collectie.




Leer doet moeilijk
De keurkamer in Leer schreef de landdrost dat zij niet zou beginnen met keuren zonder te weten welke vergoeding de keurmeesters hiervoor zouden ontvangen. De minister liet antwoorden dat de beloning in de wet geregeld werd; ook voor het stempelen met de gekroonde O.

Verder waren de keurmeesters in Leer van mening dat het rijk hen een keurkamer diende te geven om hun werkzaamheden uit te voeren. Zij zouden voor f 50,- een lokaal kunnen inrichten. De wet stelde dat de keurmeesters hun onderkomen zelf dienden te bekostigen. Desondanks besloot de minister f 50,- ter beschikking te stellen voor de inrichting van de keurkamer in Leer. Toen de keurkamer in Norden hiervan lucht kreeg vroeg zij ook een bijdrage van f 50,-. Dit verzoek verwees de minister naar de landdrost. De minister schreef de landdrost van Oost-Friesland dat als de keurmeesters in Leer niet met hun werkzaamheden wilden beginnen, de landdrost bevoegdheid had de keurkamer op te heffen en de werkzaamheden naar de dichtstbijzijnde keurkamer over te brengen. Omdat de keurkamer in Leer niet eerder wilde beginnen dan dat hun rekest beantwoord werd, was de termijn voor het stempelen met de gekroonde O reeds verstreken, zonder dat stempeling had plaats gevonden. De essayeur-generaal van de Munt was van mening dat de ingezetenen hieraan geen schuld hadden en besloot dat in Leer alsnog gedurende vijf dagen gestempeld mocht worden. Om fraude te voorkomen werden de stempels in beheer gegeven van de onder-inspecteur der middelen te lande te Leer. Deze diende bij het gebruik van het stempel aanwezig te zijn. Bij verdenking van misbruik had hij de bevoegdheid de stempeling met de gekroonde O te weigeren.