Kunstpedia - http://www.kunstpedia.com
De Oostfriesche Keurkamers Tijdens Het Koninkrijk Holland - Een geschiedenis van protest en onderhandeling
http://www.kunstpedia.com/articles/831/1/De-Oostfriesche-Keurkamers-Tijdens-Het-Koninkrijk-Holland---Een-geschiedenis-van-protest-en-onderhandeling/Page1.html
Luijt, Janjaap
Janjaap Luijt verricht onderzoek naar Nederlands goud- en zilver in de ruimste zin van het woord en bezit hij een grote kennis van de goud- en zilvermerken, die voor de bestudering van antiek goud- en zilverwerk onmisbaar is. Hij is auteur van diverse artikelen en van Het Zilverlexicon voor Nederland en België en since 2004 redacteur van het tijdschrift De Beeldenaar. Janjaap Luijt is oprichter en beheerder van Ag&Au Silverresearch.

Website : Ag&Au Silverresearch
 
By Luijt, Janjaap
Published on 26 June 2010
 
door J. Luijt en M. Houtman

Bij de vrede van Tilsit (juni 1807) verwierf Napoleon het graafschap Oost-Friesland van de koning van Pruisen. Van de tsaar van Rusland eigende hij zich de heerlijkheid lever toe. In november 1807 droeg Napoleon deze gebieden, in het Hollands-Franse verdrag van Fontainebleau, over aan zijn broer, Lodewijk Napoleon, koning van Holland. Het verworven gebied kwam als het departement Oost-Friesland onder `Hollands' bestuur, met de daarbij behorende wetgeving. De Hollandse wetgeving op gouden en zilveren werken van 11 maart 1807 werd ook van kracht in het nieuw verworven departement. De wet regelde de keuring en de inning van de belasting op deze luxe. De minister van Financiën, I.J.A. Gogel, die verantwoordelijk was voor de uitvoering van de wet op de gouden en zilveren voorwerpen, besloot in het nieuw verworven departement ook keurkamers op te richten.


J. Luijt en M. Houtman

Bij de vrede van Tilsit (juni 1807) verwierf Napoleon het graafschap Oost-Friesland van de koning van Pruisen. Van de tsaar van Rusland eigende hij zich de heerlijkheid lever toe. In november 1807 droeg Napoleon deze gebieden, in het Hollands-Franse verdrag van Fontainebleau, over aan zijn broer, Lodewijk Napoleon, koning van Holland. Het verworven gebied kwam als het departement Oost-Friesland onder `Hollands' bestuur, met de daarbij behorende wetgeving. De Hollandse wetgeving op gouden en zilveren werken van 11 maart 1807 werd ook van kracht in het nieuw verworven departement. De wet regelde de keuring en de inning van de belasting op deze luxe. De minister van Financiën, I.J.A. Gogel, die verantwoordelijk was voor de uitvoering van de wet op de gouden en zilveren voorwerpen, besloot in het nieuw verworven departement ook keurkamers op te richten.

Alvorens deze te installeren, werd een inventarisatie gemaakt van het aantal goud- en zilversmeden in de verschillende Oostfriese plaatsen. Aan de hand van de gemaakte inventarisatie besloot de koning tot de oprichting van keurkamers in de steden Aurich, Emden, Jever, Leer en Norden. Per keurkamer werden drie keurmeesters en één buitengewoon keurmeester aangesteld. De keurkamer van Emden kreeg, vanwege het grote aantal in Emden gevestigde werkmeesters en kasthouders, vier keurmeesters en twee buitengewoon keurmeesters. Het gebied dat onder één keurkamer viel kwam overeen met het arrondissement met dezelfde naam als de plaats waar de keurkamer was gevestigd. Alleen het arrondissement Esens viel onder een andere keurkamer, die van Jever. De inning van de belastingen door de Oostfriese keurkamers kwam onder toezicht van de ontvanger der beschreven middelen over het arrondissement Aurich.

De essayeur-generaal van de Munt, W.A.A. Poelman, maakte zeven ontwerpen voor keurkamertekens voor de nieuwe keurkamers. Hieruit zou de minister van Financiën er vijf mogen kiezen. Opmerkelijk is dat bij het ontwerpen van de Oost-Friezen keurkamertekens geen rekening werd gehouden met de stadswapens van de steden waarin de keurkamers gevestigd waren. Bij de invoering van de wet in 1807 in de andere delen van het koninkrijk was hier wel naar gekeken en waren de keurkamertekens afgeleid van de stadswapens. Voor de nieuwe gebieden werd een verband tussen het stadswapen en het keurkamerteken niet noodzakelijk geacht.


Afb. 1 Visschep.
Zilver. Merken: Emden (1809-1812), meesterteken DB (Dirk Bijl), gehalte 10, jaarletter d (1811-1812); gekroonde E (1811-1813); gekroonde V (1814-1893). Collectie Ostfriesiche Landesmuseum, Emden.




Gekroonde O
Bij de invoering van de wet op gouden en zilveren werken in 1807 konden de werkmeesters en kasthouders reeds vervaardigde gouden en zilveren werken, gedurende enkele weken, vrij van belasting laten stempelen met een gekroonde O. Over werken die niet binnen de voorgeschreven termijn met de gekroond O waren gestempeld, dienden zij belasting te betalen. Deze voorwerpen werden gestempeld met een gekroonde B.

Ook de werkmeesters en kasthouders in Oost-Friesland en Reiderland (het gebied tussen de Eems en Groningen) werden in staat gesteld reeds vervaardigde gouden en zilveren voorwerpen te laten merken met de gekroonde O. In de periode van 4 tot 18 april 1809 stempelden de keurkamers met dit merk. Om misbruik te voorkomen werden de stempels met de gekroonde 0 pas een dag van te voren aan de keurkamers toegestuurd en verscheen toen pas de eerste openbare bekendmaking.

De goud- en zilversmeden in Emden wilden de termijn waarin met de gekroonde 0 gestempeld mocht worden laten verlengen tot zes maanden. Hun verzoek aan de koning werd echter afgewezen, omdat dit teveel nadelen met zich zou meebrengen. Na 18 april mochten er geen oude werken meer verkocht worden zonder gekroonde 0, tenzij de belasting betaald was, en het werk gestempeld met de gekroonde B.


Afb. 2 Visschep.
Zilver. Merken: Aurich (1809-1812), meesterteken K (Kittel of Kettwich), gehalte 10, jaarletter d (1811-1812). Lengte 50 cm., breedte 11 cm.

De schep is voorzien van een ebbehouten handvat, met aan het uiteinde een ivoren bolletje. Op de achterzijde van de visschep staat een stippelgravure: A.F.W. Particuliere collectie.




Leer doet moeilijk
De keurkamer in Leer schreef de landdrost dat zij niet zou beginnen met keuren zonder te weten welke vergoeding de keurmeesters hiervoor zouden ontvangen. De minister liet antwoorden dat de beloning in de wet geregeld werd; ook voor het stempelen met de gekroonde O.

Verder waren de keurmeesters in Leer van mening dat het rijk hen een keurkamer diende te geven om hun werkzaamheden uit te voeren. Zij zouden voor f 50,- een lokaal kunnen inrichten. De wet stelde dat de keurmeesters hun onderkomen zelf dienden te bekostigen. Desondanks besloot de minister f 50,- ter beschikking te stellen voor de inrichting van de keurkamer in Leer. Toen de keurkamer in Norden hiervan lucht kreeg vroeg zij ook een bijdrage van f 50,-. Dit verzoek verwees de minister naar de landdrost. De minister schreef de landdrost van Oost-Friesland dat als de keurmeesters in Leer niet met hun werkzaamheden wilden beginnen, de landdrost bevoegdheid had de keurkamer op te heffen en de werkzaamheden naar de dichtstbijzijnde keurkamer over te brengen. Omdat de keurkamer in Leer niet eerder wilde beginnen dan dat hun rekest beantwoord werd, was de termijn voor het stempelen met de gekroonde O reeds verstreken, zonder dat stempeling had plaats gevonden. De essayeur-generaal van de Munt was van mening dat de ingezetenen hieraan geen schuld hadden en besloot dat in Leer alsnog gedurende vijf dagen gestempeld mocht worden. Om fraude te voorkomen werden de stempels in beheer gegeven van de onder-inspecteur der middelen te lande te Leer. Deze diende bij het gebruik van het stempel aanwezig te zijn. Bij verdenking van misbruik had hij de bevoegdheid de stempeling met de gekroonde O te weigeren.


Armoe troef
In november 1809 wendde de keurkamer in Norden zich tot Poelman met een zeer opmerkelijk verzoek. De armoede onder de werkmeesters in Norden zou zo groot zijn dat de meesten naast het smeden nog een ander baantje hadden.

Vanwege deze armoede viel de verplichting tot de aanschaf van toetsnaalden erg zwaar. Als oplossing voor de situatie wilden de keurmeesters de toetsnaalden in tweeën kloven, zodat ze goedkoper zouden zijn. Poelman wees deze oplossing van de hand. Hij was van mening dat de toetsnaalden van 1 engels (ca 1,5 gram) voor goud en 1 once (ca 31 gram) voor zilver best betaalbaar waren en dat splijting alleen maar kon leiden tot verwarring. Deze afwijzing leidde er toe dat zes werkmeesters opgaven het werken 6f in goud 6f in zilver te staken. Eén werkmeester staakte zijn werkzaamheden in het geheel.

Waarschijnlijk was deze neerlegging van de werkzaamheden slechts formeel en boden de werkmeesters elkaars werk ter keuring aan. Enkelen van de teruggetrokken werkmeesters werden na de Franse periode (na 1813) wederom actief als goud- én zilversmid. Niet alleen in Norden maar ook in Leer staakten enkele werkmeesters hun activiteiten omdat zij niet in staat waren de benodigde toetsnaalden aan te schaffen.


Afb. 3 Avondmaalskan.
Zilver. Merken: Norden (1809-1812), meesterteken Brams (Carl Ludwig Braams), gehalte 10, jaarletter d (1811-1812). Hoogte 35 cm. De kan staat op een vierkante voet en is voorzien van een hoekig houten handvat. De kan wordt versierd door een bolvormig deksel met daarop een bol. Gravering: H.C. Schwers Anno 1812. Huidige verblijfplaats onbekend (Foto: Ostfriesische Landschaft, Aurich).



Lödig zilver
Tot aan de annexatie van Oost-Friesland waren de zilversmeden gewoon werken te maken van 8 en 9 lödig (550‰ resp. 563‰). Door de invoering van de Hollandse wet werden zij verplicht zilver met een gehalte van 10 penningen (833%0) te maken. Vanwege de concurrentie uit de buurlanden Minster en Oldenburg, waar het lagere zilvergehalte nog wel was toegestaan, verzochten de werkmeesters in Leer zilver van laag allooi te mogen blijven maken. Zo zou voorkomen worden dat particulieren hun zilver uit het buitenland zouden halen en het rijk belasting zou mislopen. De zilversmeden zouden dan het door hen gemaakte zilver van laag allooi bij de keurkamer aanbieden als reeds vervaardigde werken en er als zodanig belasting over betalen. De minister kon zich echter in het geheel niet vinden in dit plan en wees het verzoek van de hand.

Het lödig zilver bleef voor problemen zorgen. Zo wilde een keurmeester in Leer van Poelman weten of oud Oldenburgs en Minsters zilver wèl of niet met de gekroonde B moest worden gestempeld. De keurmeester was van mening dat vanwege het te lage zilvergehalte de betreffende werken niet onder de wet van 11 maart 1807 vielen. Zijn collega's en de keurkamer in Emden vonden echter dat de werken wel degelijk als zilver behandeld dienden te worden en aan de belasting onderhevig waren. Poelman verwees naar de wet van 11 maart 1807, en legde deze als volgt uit: de gekroonde 0, B en V zeggen niets over het gehalte, maar alleen of de belasting is voldaan. Dus diende het lödig zilver gestempeld te worden met de gekroonde B voor oude werken en met de gekroonde V voor vreemde (= buitenlandse) werken.


Afb. 4 Kelk.
Zilver. Merken: Esens (1810-1812), meesterteken GHR (Gottfried Heinrich Ronstadt).
Hoogte 19 cm, φ 11 cm. Gladde kelk zonder graveringen. De kelk werd in 1811 door de kerk gekocht voor 35 reichstahler, ter vervanging van de kelk die in hetzelfde jaar gestolen werd.
Collectie: Evangelisch Lutherse Gemeente Leerhafe.





Een keurkamer erbij
Op 20 april 1809 ontving de minister van Financiën een verzoek van de goud- en zilversmeden in Esens om aldaar een keurkamer te mogen oprichten. Ter motivatie droegen zij aan dat Jever vanuit Esens slecht bereikbaar was: `... een afstand van twaalf poststations over een slechte weg.' Poelman verwachtte dat de koning zou instemmen met de oprichting van een keurkamer in Esens en ontwierp alvast een keurkamerteken. De minister wees echter de instelling van nog een keurkamer in Oost-Friesland af, omdat hij mutaties in het aantal keurkamers bij aanvang van het kalenderjaar wilde doorvoeren. De oprichting van een keurkamer zou in heroverweging genomen worden als daar aan het eind van 1809 aanleiding toe zou zijn. De goud- en zilversmeden in Esens zorgden gedurende het jaar voor voldoende aanleiding. Zo weigerden zij hun meesterteken te laten slaan op de insculpatieplaat op de keurkamer van Jever. Dit had tot gevolg dat deze keurkamer niet in staat was om een volledige plaat naar Den Haag te sturen. Daarnaast weigerden de werkmeesters en kasthouders in Esens hun voorraden te laten stempelen met de gekroonde O. Nadat zij in december 1809 gevisiteerd waren, verzochten zij hun werken alsnog met de gekroonde B te mogen laten stempelen, zonder daarvoor te hoeven betalen. De minister weigerde aan dit verzoek te voldoen, omdat hij van mening was dat de goud- en zilversmeden zelf schuld hadden aan het niet laten stempelen in de voorgeschreven periode.

In het voorjaar van 1810 herinnerde het gilde in Esens de minister aan zijn voornemen de oprichting van een keurkamer te heroverwegen. De minister kwam zijn belofte na en 26 april 1810 besloot hij tot de oprichting van de keurkamer. Er werden drie keurmeesters en twee
plaatsvervangend-keurmeesters benoemd en een keurkamerteken toegewezen. Het keurkamerteken dat Poelman aan Esens toewees, blijkt het teken voor de nooit geopende keurkamer van Purmerend te zijn. Dit stempel was al in 1807 gesneden en lag waarschijnlijk nog bij Poelman in de kast.

De keurkamer in Esens begon met zijn werkzaamheden in mei 1810. Onder de keurkamer van Esens kwamen de werkmeesters in het gelijknamige arrondissement, waaronder ook de werkmeesters in Wittmund en Carolinesiel.


Afb. 5 Theezeef.
Zilver. Merken: Norden (1809-1812), gehalte 10, jaarletter e (1810), meesterteken ontbreekt. Lengte 4,3 cm, ø 3,4 cm. Tuitzeef aan een hengsel, voorzien van een splitpen. Collectie : Heimatmuseum, Leer.




In het overzicht vindt men de goud- en zilversmeden die in Oost-Friesland actief waren. De meesters zijn ingedeeld per keurkamer waar zij waren ondergebracht. Voor zover bekend is het meesterteken gegeven in de tweede kolom. De derde kolom verwijst naar de vermelding van dezelfde meester in het boek: W. Scheffler, Goldschmiede Niedersachsens, Berlijn 1965. De laatste kolom geeft eventuele bijzonderheden omtrent de werkmeester. De meesters te Esens staan niet vermeld bij de keurkamer van Jever, ondanks dat zij daar in 1809 wel waren ingeschreven. Het overzicht is gebaseerd op de lijsten en insculpatieplaten zoals die aan de essayeurs-generaal zijn toegezonden.

Het gebied tussen de Eems en Groningen, het Reiderland, werd in 1809 ondergebracht bij de keurkamer te Winschoten. Voor de volledigheid en ter aanvulling van het werk van Koonings, zijn de daar wonende werkmeesters eveneens in het overzicht opgenomen.


 Emden  teken  Scheffler  opm
 Hans Eppes Haijens  geen  Emden 164  keurmeester
 Jacobus Meinardi Swarte  MS Emden 168  
 Friedrich Gerhard Schlerholtz  FS  Emden 170  
 Marten Oldeman  MO  Emden 171  
 H. Wilkens & van Hoorn  W&vH  Emden 192  keurmeester
 Tibbele Henriks Postma  TP  Emden 175  keurmeester
 Martinus Rijken  MR  Emden 177  
 Dirk van Borssum  DVB  Emden 178  
 Simon Pieter Marschee  SM  Emden 179  
 Johannes Beekman Haijens  IBH  Emden 180  
 Harmen Colsman  HC  Emden 181  
 Wiard Hermanni Arens  WA  Emden 182  
 Eddo Kivijt  EK  Emden 182  
 Daniel Timpenga  DT  Emden 184  
 Bemardus Johannes Haijens  BIH H  Emden 186  
 Evert Peters Roeijer  ER  Emden 188  
 Douwe Johannes Snoek  een vis  Emden 189  keurmeester
 Pieter Staal  PS  Emden 191  
 Frans Peter Rodewijk  FPR  Emden 193  
 Boelinus Bekman Sandvoord
 BS  Emden 194  
 Nicolaus Reinders Snoek
 NS  Emden 195  
 Johannes Bemhardus Schoning  IBS   Emden 196  keurmeester
 Leonard E. Staal  S  Emden 197  
 Jan J. Mescher  IM  Emden 198  
 Friederich Herman Homer  FH  Emden 199  
 Dirk D. Bijl I  DB  Emden 200  
 Jurgen Bohlken  B  Emden 201  
 Hermannus Schoning  HS  Emden 202  
 Lubbert Jansen van Eisen  VE  Emden 203  
 Hendrick Nicolaas Walland  Walland HNW Emden 204  meester. 1810
 Willem Jansen Sielman  Sielman WS  Emden 205  meester 1811
 Claas van Buuren  VB  Emden 206  meester: 1811
 Dirk Woortman  DW  Emden 207  meester. 1811
 Siefke Dirksen  SD  Emden 208  meester 1811
 G. Dirksen  GD  --  in Greetsiel
 C. Cabues  CC  Leer 21 (?)  in Oldersum

     
 Aurich teken Scheffler opmerking
 Anton Hermann Heinrich Kettwich  Aurich 24 keurmeester
 Cad Friedrich (?) Kittel
   Aurich 26' of 30 keurmeester
 Friedich Ernst Talheim
  Thalheim Aurich 29 keurmeester
 Harmannus (?) Behrens B (?) Aurich 40? keurmeester


 Esens teken Scheffler opmerking
 Philipp Arnold Braams  Esens 30 keurmeester
 Gerdt Claessen Tiardsen  Esens 29 keurmeester
 Otto Helmerich Altona  Esens 32 keurmeester
 Conrad Gerhard Mohlman M Esens 35 
 Conrad Schultz CS Esens 34 
 E.A. Bergner  -- 
 Gottfried Heinrich Ronstadt GHR Wittmund 10 meester in 1810

 
 Jever teken Scheffler opmerking
 Gabriel Rudolph Altona A Jever 33 keurmeester
 Ulrich Georg Albrecht Altons UA Jever 35 keurmeester vanaf aug. 1809
 Mathias Heinrich Fittica HF Jever 43 keurmeester
 Friederich Bernhard Dunker D Jever 38 keurmeester vanaf mei 1809
 Christian Erasmus Wilhelm Preibisius CEWP Jever 26 keurmeester tot mei 1809
 Johann Christian Haase ICH Jever 28 keurmeester tot aug. 1809
 Edzard 'den Borgmann EIB B
 Jever 39 keurmeester
 Johann Godfried Christian Zack
 IGZ Jever 37 
 Hans Christoff Gastmann
 GG Jever 34 
 Carl Wilhelm Marcus M -- in Hooksiel
 Johann Diederch Haupt
 DH
 Neustadt 1 in Neustadt-Gedens
 Baio Hinrich Bernhard Croon HBC Wittmund 7 in Wittmund overleden 1810
 Abraham Harms Bohnekamp AB Wittmund 6 in Wittmund
 Christoph Gerhard Knoop CK Wittmund 4 in Wittmund
 Ihmel Ufkes Freese IUF Norden 9 in Carolinensiel

    
 Leer
 teken Scheffler opmerking
 Rintius de Grave RDG Leer 18 
 Geerdt Kreling GK Leer 20 keurmeester
 Leonard Staal LS Leer 25 
 Christian Krieger K Leer 30 
 Frans Herman Feltrup FHF Leer 28 keurmeester
 Eilardus Hermanus Voogt EHV Leer 27 keurmeester
 Foke van Loh FvL Leer 32 
 Anton de Grave G Leer 26 keurmeester
 Franziskus Theobaldus Josep- hus Vierfues V Leer 29 
 Gerhard Zimmermann Z -- keurmeester
 Paulus Christian Cabbues C Leer 31 
 F. Olfers  -- gestopt 1809
 A. Vink  -- gestopt 1809
 O. Bleker  -- gestopt 1809


 Norden teken (Cremer) Scheffler opmerking
 Claude Vaillant  Norden 62 keurmeester
 Hinrich Finck H.Finck Norden 63 keurmeester
 Michel Ducros MD Norden 92 keurmeester
 Meint Hajo Rijkena Rijkena HR Norden 53 keurmeester
 Behrend Jacobs Fischer BIF Norden 81 
 Jans Tillman Taddinks Tadiks ITT Norden 89 staakt 1809 het goudsmeden
 Andreas Adolph Hikken AH Norden 85 staakt 1809 het goudsmeden
 Carl Ludwig Braams Brams CLB Norden 83 
 Johannes Bodeker III Bodker Bodeker JB Norden 76 
 Uve Janssen Ufen II V Norden 84 staakt 1809 het goudsmeden
 Clas Deknatel Deknatel D
 Norden 77 
 Edde Albertus Edden E Norden 74 staakt 1809 het zilversmeden
 Jann Jacobs Silomon JS Silomon Norden 75 staakt 1809 het goudsmeden
 Hibbe Adden Stavesand Hesse HH H.hesse Norden 87 staakt 1809 het zilversmeden
 Behrend Hibben Stavesand  Norden 98 stopt 1809
 Redolph Albartus Ufen RAU
 Norden 67 stopt 1809
 J.B. Conerus  -- 
 Johann Conrad Bus Bus Norden 86 
 Reinhold Arnold Wilkens RW Norden 78 

 
 Reiderland teken Scheffler opmerking
 J. Jutting  -- in Bunde overleden 1810
 Menno Siefkes  Weener 11 in Bunde
 Brond de Grave G Jemgum 4 in Jemgum
 Berend Groenewolt BG Weener 9 in Weener
 T. Cramer  -- in Weener

 

Insculpatieplaten
De Oostfriese keurkamers hebben alle een insculpatieplaat gestuurd naar de essayeur-generaal van de Munt en er zelf één bewaard. Van al deze insculpatieplaten zijn slechts twee fragmenten van de keurkamer in Emden teruggevonden. Ze bevinden zich in het Goud-, Zilver- en Klokkenmuseum te Schoonhoven. Van de overige insculpatieplaten dient aangenomen te worden dat zij in privé-collecties terecht zijn gekomen of in de negentiende eeuw zijn vernietigd.


Afb. 7
Fragment van de insculpatieplaat van de keurkamer van Emden. Schoonhoven, Goud-, Zilver- en Klokkenmuseum.



Besluit
De keurkamers van Oost-Friesland werden op 1 februari 1812 gesloten. De keuring van het goud en zilver zou vanaf dat moment plaatsvinden, volgens de Franse wetgeving, op het Bureau de Garantie te Aurich. Na Napoleon's nederlaag in de Slag bij Leipzig (1813) keerden de Oostfriese goud- en zilversmeden terug naar de keuring van goud en zilver volgens het gildesysteem van vóór 1809.

Voorwerpen met Oostfriese keurtekens uit de tijd van het Koninkrijk Holland zijn zeldzaam. Navraag bij musea en antiquairs in Oost-Friesland en aangrenzende gebieden, en bestudering van de bestaande literatuur leverde vijf, hier afgebeelde, voorwerpen op met dergelijke keurtekens.


Afb. 6
Kaart van het Oostfriese gebied waaronder de keurkamers vielen.



Maja Houtman (1963) heeft de MTS-Vakschool voor Gouden Zilversmeden te Schoonhoven doorlopen en is werkzaam als essayeur.

Geraadpleegde bronnen
•    Algemeen Rijksarchief, Ministerie van Financien (1798-1813), 2.01.21 en 2.01.33.
•    Nationaal Muntmuseum, Utrecht, Archief van 's Rijks Munt. Landesarchiv Aurich, Stadt Esens, Ab. XVII.

Literatuur
•    L.B. Gans, Goud- en Zilvermerken van Voet, Leiden 1992. W. Koonings, De Keuring van Goud en Zilver tijdens het Koninkrijk Holland, Lochem 1968.
•    G. Muller Jurgens, Vasa Sacra - Altargerdt in Ostfriesland, Aurich 1960.
•    W. Scheffler, Goldschmiede Niedersachsen, Berlijn 1965.
•    J.C. Stracke, `Goldschmiede in Emden von 1400 bis 1860', in: Jahrbuch der Gesellschaftfrir Bildende Kunst and Vaterldndische

Summary
From 1807 to 1811 the region of Ost-Friesland was part of what was known as the Kingdom of Holland, a satellite state of the French Empire. Here, as in other departments of the kingdom, a centralized system of hallmarking was introduced. Local and national archive research has yielded new insights into hallmarking during this period in what is now part of Germany.



COPYRIGHT 1995 Janjaap Luijt, alle rechten voorbehouden
Niets uit dit artikel, inclusief begeleidende illustraties, kan of mag gereproduceerd worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurrechtelijke houder.




 
Het Zilverlexicon voor Nederland en België

Het Zilverlexicon is een encyclopedisch overzichtswerk toegespitst op zilver uit Nederland en België. Dit standaardwerk bevat in alfabetische volgorde talrijke nuttige gegevens over zilver in de ruimste zin van het woord. In bijna 3000 lemma's behandelt Het Zilverlexicon benamingen van voorwerpen, stijlen, technieken en topstukken, zoals liefhebbers en professionals die gebruiken. Daarnaast komen ook de belangrijkste edelsmeden, zilvermerken en productiecentra aan bod.

Het grote aantal foto's, tekeningen en zilvermerken geven het boek een belangrijke visuele meerwaarde. De vertaling van bijna alle woorden in de talen Engels, Duits en Frans bieden de gebruiker de mogelijkheid om buitenlandse vakliteratuur in die talen beter te begrijpen.

De auteur, bekend van publicaties zoals Goud, Dokkumer Zilver en Schoonhovens Zilver St. Eloy, is er in geslaagd een boek over zilver samen te stellen dat vrijwel alle gebruikelijke en ongebruikelijke termen en begrippen op het gebied van zilver behandelt. Een bijzonder handig naslagwerk voor verzamelaars, liefhebbers en professionals. Het Zilverlexicon verschijnt in navolging op Het Klokkenlexicon.

Auteur
Bladzijden
Illustrations
ISBN                                         
Janjaap Luijt
384
573
9789040091162

Bestellen >>