Categories
- 20th-century Decorative Art
- Arms and Armour
- Books, Manuscripts and Maps
- Classical Antiquities, Coins and Medals
- Clocks, Barometers and instruments
- Furniture
- Jewellery, Snuff Boxes and Miniatures
- Medieval art
- Modern Art
- Oriental and Asian Art
- Paintings, Drawings and Prints
- Porcelain, Ceramics and Glass
- Photography
- Tribal and Pre-Columbian Art
- Sculptures
- Silver
- Textiles, Carpets and Tapestries
- Works of Art
- News
- Blogs
- Books
Quick Search
Thumbs up for ......
De betekenis van het geschilderde Hollandse landschap van de zeventiende eeuw: een beschouwing naar aanleiding van enkele recente interpretaties.

In 1971 schreef de kunsthistoricus E. de Jongh dat de 17de eeuwse landschapskunst nog het duidelijkst, ongetwijfeld meer dan andere categorieën, in de richting van het l'art pour l'art wijst, een opvatting waarvan de formulering nog twee eeuwen op zieh zou laten 'wachten.' Het spreekt boekdelen dat juist De Jongh, die immers bekend geworden is door zijn iconografische interpretaties van het zeventiende-eeuwse Nederlandse genrestuk welke de l'art pour l'art conceptie ten aanzien van dit genre wezenlijk hebben ondermijnd, deze conceptie nog wel geldig achtte voor het landschap. Dit illustreert hoe gangbaar ook onder kunsthistorici de mening was - en is - dat het Hollandse landschap van de zeventiende eeuw om geen andere reden geschilderd is dan om de verbluffend realistische weergave van de zichtbare werkelijkheid. Als men al van een 'inhoud' of 'betekenis' van het landschap wil spreken bestaat deze uit de realistische voorstelling zelf en uit de esthetische natuurbeleving van de schilder die hierin besloten ligt. De functie van deze voorstelling voor de (moderne en dus ook voor de zeventiende-eeuwse) beschouwer is gelegen in het esthetische plezier en kunstgenot dat zij hem biedt. Het is een kunst voor het oog en het hart, niet voor het verstand; de 'betekenis' ervan kan alleen door invoeling worden ervaren, niet beredeneerd.
Het mag dan ook geen verwondering wekken dat het onderzoek naar andere dan zuiver esthetische betekenissen van het zeventiende-eeuwse landschap pas laat op gang is gekomen. Geïnspireerd door de iconografische interpretaties van zeventiende-eeuwse genre-schilderijen van De Jongh en anderen, hebben enkele auteurs sinds kort ook een iconografische analyse van verschillende groepen landschappen beproefd. Wiegand opende in 1971 de rij met een Studie naar de symboliek van de landschappen van Jacob van Ruisdael. Hij zag deze landschappen primair als symbolische voorstellingen met een religieus-belerende strekking. Een aantal telkens terugkerende motieven in deze schilderijen — onder andere watervallen, verweerde dode boomstammen en torens op hoge rotsen - bracht hij in verband met de uitleg van zulke motieven in contemporaine emblemata-boeken als vamtas-symbolen. Op grond hiervan beschouwde hij de vergankelijkheid van al het aardse als het grondthema van deze schilderijen, die de beschouwer daarmee impliciet de onvergankelijkheid van het hiernamaals als orientatie-punt voor zijn levenswandel voorhouden. Raupp bracht in 1980 het grondthema van een aantal landschappen uit de eerste helft van de zeventiende eeuw, in het bijzonder van Jan van Goyen, op de noemer van de levensreis of levenspelgrimage. Aansluitend bij de methode van Wiegand om de inhoudelijke interpretatie van het landschap steeds op individuele motieven te richten en te stoelen op de regelmatig terugkerende betekenissen van deze motieven in literaire iconografische tradities, trachtte Raupp aan te tonen dat juist de stoffage figuren van het landschap de primaire dragers zijn aan specifieke betekenissen In tegenstelling tot apologeten van de esthetische benadering van het landschap, die in de geringe afmetingen van de wandelaars, herders, boeren, marktlui en allerhande reizigers een indicatie zien van het ontbreken van enigerlei betekenis van gewicht, mat Raupp de stoffage-figuren een exemplarische rol toe bij de uitbeelding van de levenspelgrimage-allegorie Niet alleen kunnen zij - bijvoorbeeld in de figuur van de wandelaar - de ware levenspelgrim verbeelden, maar ook - zoals in de gedaante van boeren en marktlui - zijn tegenvoeter voorstellen, de mens Wiens begeerte uitgaat naar het aardse goed Niet vanuit de natuur moet de mens, maar vanuit de personificaties van de vrome en de zondige levenswandel moet de omringende natuur geduid worden Zo dient, afhankelijk van de betekenis van de stoffage, een bos in het ene landschap begrepen te worden als symbool van de wereld en de gevaren die de mens op zijn pelgrimage bedreigen, in het andere landschap als een piek van eenzame afzondering waar de levenspelgrim toevlucht zoekt voor de verleidingen van de bewoonde wereld.
Lees Volledig Artikel >>
COPYRIGHT 1989 Prof. dr. R. L. Falkenburg , alle rechten voorbehouden
Niets uit dit artikel, inclusief begeleidende illustraties, kan of mag gereproduceerd worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurrechtelijke houder.
- 31-3-2009
Was it of interest? Why not share it with others!












