De Porseleinfabriek in Weesp (1759-1774)

In de jaren ’50 van de 18de eeuw trok de economie in Nederland aan en kwam er langzaam maar zeker weer vraag naar luxueuze consumptieartikelen. Bovendien was als gevolg van de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) de productie van faïence en porselein in Oost-Frankrijk en Duitsland weggevallen. Dit bood goede kansen voor het starten van een porseleinfabriek in Nederland. 

Door Jan Daniël van Dam, hoofdconservator ceramiek en glas :  In de zomer van 1750 was Bertram graaf van Gronsveld Diepenbroick (1715-1772) benoemd tot drost van Muiden en slotvoogd van het Muiderslot, waaraan de functie van hoofdschout van Weesp was verbonden. Hij was in Weesp kortom een machtig man en in 1759 stichtte hij in de Kromme Elleboogsteeg een porseleinfabriek. Het was in de 18de eeuw geen sinecure om een fabriek te vestigen. Na het verkrijgen van allerhande vergunningen en zo mogelijk vrijstelling van een aantal belastingen, moesten bedrijfsgebouwen worden gekocht of ver/gebouwd en moest een bedrijfsinventaris (ovens, gereedschappen en (hulp)materialen voor het beoogde product) worden samengesteld. De graaf moest bovendien op zoek naar grondstoffen, kennis van het productieproces en technische en artistieke handvaardigheid.  


Terrine op onderschotel, ca. 1764-1768
Porselein, Weesp
Terrine: hoogte 32 cm, breedte 37,3 cm, onderschotel: breedte 41,7 cm


Personeel uit het buitenland
Weesp kende geen ceramische nijverheid en dus geen geschoold personeel. Vanwege de contacten die de graaf van Gronsveld in Duitsland had trok hij in eerste instantie Duits personeel aan. Dit was op dat moment vanwege de leegloop van de Duitse porseleinfabrieken door de Zevenjarige Oorlog ook een voor de hand liggende oplossing. De achtergrond van de belangrijkste personeelsleden in aanmerking genomen, zou men over de Weesper porseleinfabriek als over een Duitse onderneming in Nederland kunnen spreken. Gronsveld begon met het werven van twee erva- ren vaklieden: Christian Gottlob Berger (1730-na 1776) en Niklaus Paul (1711-1788). Berger had in de porseleinfabriek van Meissen een opleiding genoten als Bossierer of garneerder, de man die de verschillende, met behulp van vormen gemaakte delen van een stuk serviesgoed of een figuur met kleipap aan elkaar zette. Vervolgens had hij ook geleerd om lappen klei in de gipsvormen te drukken en bloemen vrij uit de hand te boetseren. Daarnaast was hij vaardig in het afgiet en van modellen in gips en het maken en verkleinen van gipsvormen.

Niklaus Paul had in de vroege jaren ’50 in Höchst het vak van Masseschlämmer geleerd, dat wil zeggen dat hij zich bezighield met het bereiden van de porseleinmassa uit de grondstoffen kaolien, kwarts en veldspaat. Ook had hij ervaring als opzichter in de draaierij en de Formerstube, het atelier. Paul werd in de Weesper onderneming de bedrijfsleider en Berger de ontwerper, de modelleur. Samen hadden zij voldoende kennis en ervaring voor het verkrijgen en verwerken van de grondstoffen voor een werkbare kleimassa, voor het maken van gipsvormen en voor het stoken van de oven, en waren kortom zeer geschikt om een nieuwe fabriek op te zetten, in te richten en personeel op te leiden. Voor het beschilderen van het porselein, een aspect van het productieproces waar Berger en Paul minder kaas van gegeten hadden, trok Gronsveld de Nederlandse fijnschilder Theodorus Onkruyd (1706-1771) aan. Onkruyd kreeg tevens de opdracht verfstoffen te kopen en te beproeven of ze geschikt waren om porselein mee te beschilderen. Dit laatste deel van het productieproces heeft de fabriek veel hoofdbrekens gekost en ondanks de inbreng van buitenlandse specialisten duurde het tot 1764 voordat men een voor het oog aantrekkelijk decoratie in geslaagde kleuren en het hechten ervan op het porselein onder de knie had. 


Olie- en azijnstel, het model (ontwerp) toegeschreven aan Christian Gottlob Berger, ca. 1764-1768,
Porselein, Weesp
Kannetjes: hoogte 18,8 cm, houder: hoogte 12 cm


Internationale vormen en afbeeldingen
Een porseleinfabriek, maar dat gold evenzo voor een faïence fabriek, moest in personele zin enige omvang hebben om zich een bedrijfsleider van niveau te kunnen permitteren. Ook de maat van de oven dicteerde een bepaald aantal werknemers. Men mag aannemen dat er in Weesp doorlopend tenminste twintig mannen en vele (leer)jongens in het bedrijf werkzaam zijn geweest. Een porseleinfabriek was in het algemeen te klein van omvang om een modelleur voor een langere periode doorlopend werk te verschaffen. Modelleurs, en ook schilders, waren om die reden gewend om van de ene naar de andere fabriek te zwerven. De indruk bestaat dat zij dat deden met medeneming van voorbeelden in prent, maar ook van enkele series gipsvormen, vermoedelijk werkvormen van nog maar kort tevoren door henzelf ontworpen modellen. Schilders reisden met prentvoorbeelden, sponsen, de doorgeprikte ontwerpjes die onontbeerlijk waren als hulpmate riaal, en verfstoffen. Deze gang van zaken in aanmerking nemend kan men ook begrijpen dat niet alleen het  ‘handschrift’ van één kunstenaar in de ene na de andere fabriek op allerlei plekken in Europa verschijnt, maar ook identieke vormen en afbeeldingen. Dit maakt tevens duidelijk waarom in de nieuw opgerichte Nederlandse ceramiekondernemingen zoals in Weesp de nieuwste buitenlandse stijl van dat moment zo plotseling maar ook zo stijlzuiver is geïntroduceerd.  


  • 23-6-2008

Related Links

Comments (0)

New comments are currently disabled.

Was it of interest?  Why not share it with others!