Categories
- 20th-century Decorative Art
- Arms and Armour
- Books, Manuscripts and Maps
- Classical Antiquities, Coins and Medals
- Clocks, Barometers and instruments
- Furniture
- Jewellery, Snuff Boxes and Miniatures
- Medieval art
- Modern Art
- Oriental and Asian Art
- Paintings, Drawings and Prints
- Porcelain, Ceramics and Glass
- Photography
- Tribal and Pre-Columbian Art
- Sculptures
- Silver
- Textiles, Carpets and Tapestries
- Works of Art
- News
- Blogs
- Books
Quick Search
Thumbs up for ......
Het 'Uitgetakte' Keur - Een zilvermerk in de strijd tegen belastingontduiking

Een zilvermerk in de strijd tegen belastingontduiking [1]
Belastingheffing zal altijd gepaard gaan met belastingontduiking, die weer leidt tot maatregelen van de overheid. Een aardig voorbeeld hiervan is de poging van enkele goud- en zilversmeden om de Staat op te lichten in het Koninkrijk Holland (1806-1811) en het verweer van de overheid daartegen. [2]
De publikatie van 11 maart 1807 houdende eene wet op het verwerken, invoeren en verkoopen van gouden en zilveren werken, mitsgaders den ophef der belasting op derzelve regelde vanaf najaar 1807 de keuring van goud en zilver en de inning van de belasting daarop binnen het Koninkrijk Holland (1806-1810). De wet bepaalde onder meer de toegestane gehalten van gouden en zilveren werken, evenals het gebruik van uniforme keurtekens. Daarnaast organiseerde de wet de heffing en ontvangsten van de belasting op gouden en zilveren werken. Ieder voorwerp van goud of zilver diende te voldoen aan een van de wettelijke gehalten. De stukken werden door keurmeesters daarop gecontroleerd. Zij voorzagen goedgekeurde werken van een gehaltete1ken, een keurkamerteken en een jaarletter. Afgekeurde werken werden gebroken en onverkoopbaar gemaakt. Een goud- of zilversmid kon zijn gekeurde goud of zilver bij de keurkamer ophalen nadat hij bij de daartoe aangestelde ontvanger of gaarder de vastgestelde belasting had voldaan.
In het zeventiende en achttiende artikel van genoemde wet waren de hoogte en wijze van belastinginning bepaald. Minister van Financiën Gogel (1765-1821) had de belasting gesteld op vier guldens en vijftien stuivers per troois ons (ca. 31 g.) goud en op zes stuivers per troois ons zilver. De belasting zou worden geïnd op het moment dat een voorwerp ter keuring werd aangeboden. Zodoende garandeerden de keurtekens op gouden en zilveren werken in Nederland vanaf 1807 niet alleen het gehalte van het voorwerp, maar ook dat de belasting was voldaan. Van geïmporteerde en oude werken werd het gehalte niet door de Hollandse keurkamer bepaald. Om te kunnen bewijzen dat voor deze voorwerpen de belasting was voldaan, waren speciale belastingstempels in gebruik. Het merk voor geïmporteerde voorwerpen was een gekroonde Ven voor in de handel terugkerende oude werken was dit een gekroonde B (afb. 1).

Afb.1 Lijntekeningen van de belastingtekens gekroonde B en gekroonde V. overgenomen uit: Meestertekens 1814-1863, SDU, 's-Gravenhage 1986.
Een methode om de belasting op gouden en zilveren werken te ontduiken, was het laten keuren van lichte voorwerpen, om vervolgens de keurtekens in zwaardere stukken te verwerken. Uit de goedgekeurde lichte objecten werden de keurtekens uitgezaagd en in de zwaardere werken gesoldeerd. Op deze manier kon de belasting, die naar gewicht werd bepaald, worden ontdoken. In Amsterdam werd deze vorm van belastingontduiking tijdens het Koninkrijk Holland voor het eerst met zekerheid vastgesteld.
De Amsterdamse goud- en zilversmeden waren van het begin af geen voorstanders van de wet van 1807. Sommigen lieten hun werk niet keuren, wat er toe leidde dat dit tijdens visitaties in 1808 door de keurmeesters in beslag werd genomen. In de zomer van 1809 troffen de Amsterdamse keurmeesters tijdens een visitatie zilveren werken aan, die wel gekeurd waren, maar die de keurmeesters onbekend voorkwamen. Bestudering van de registers wees uit dat het in beslag genomen zilver nooit ter keurkamer was aangeboden, terwijl de keurtekens authentiek bleken te zijn. De keurmeesters kwamen tot de conclusie dat de tekens uit andere voorwerpen afkomstig moesten zijn.
De keurmeesters legden deze zaak voor aan de Advocaat-fiscaal in het departement Amstelland en aan de inspecteur en Essaijeur-generaal mr W.A.A. Poelman, onder wiens toezicht de uitvoering van de wet viel. De Essaijeur-generaal wendde zich met een door de Amsterdamse keurmeesters voorgedragen oplossing tot de Minister van Financiën. Om deze vorm van fraude te voorkomen stelden zij voor om de keurkamer een tweede keurkamerteken te geven. Dit teken kon gebruikt worden voor gouden handringen en knipslootjes, en voor zilveren suikertangen, suikerschepjes en gladde knopen. Allemaal voorwerpen met een geringe massa die eenvoudig in grotere stukken gesoldeerd konden worden.

Afb. 2 Keurtekens op een zilveren lepel, Amsterdam 1811-12. Foto: J. Luijt.
Een getakt contour
Het in gebruik zijnde keurkamerteken bestond tot dan toe uit een gestileerd stadswapen in een ovaal contour (afb. 2). De Amsterdamse keurmeesters suggereerden om voor de lichte voorwerpen het keurkamerteken in een rechthoekig contour te plaatsen. De Essaijeurgeneraal stelde de Minister van Financiën echter voor het stedelijk teken te plaatsen in een getakt contour.
De Minister stemde in met het plan van de Essaijeur-generaal en gaf hem opdracht om voor de Amsterdamse keurkamer getakte keurkamer-tekens te laten maken. De nieuwe stempels werden door de stempelsnijders van de Munt te Utrecht vervaardigd en begin augustus 1809 aan de keurkamer toegezonden. Vanaf 18 augustus 1809 gebruikte de Amsterdamse keurkamer ook stempels met een getakt contour (afb. 3).

Afb. 3 Getakte keurteken van de keurkamer Amsterdam op insculpatieplaat.
Foto: Algemeen Rijksarchief, 's—Gravenhage (arch-tss-gen-1).
Enkele maanden na de inwerkingstelling namen de Amsterdamse keurmeesters gouden boeksloten in beslag met het nieuwe teken. Gouden boeksloten hoorden niet gestempeld te zijn met dit merk, maar met het gewone keurkamerteken. De keurtekens in de geconfisceerde boeksloten moesten dus daarin gesoldeerd zijn. Het nut van een speciaal merk voor lichte voorwerpen was daarmee bewezen. Vanwege het succes van de maatregel en het vermoeden dat in andere steden op dezelfde wijze werd gefraudeerd, wilde de Landdrost van Amstelland, J. van Styrum, eveneens getakte keurmerktekens voor de andere keurkamers. Hij richtte zich in het najaar van 1809 tot de Minister van Financiën met het verzoek om de keurkamers van Haarlem, Alkmaar, Hoorn en Enkhuizen ook te voorzien van zo'n merk. Ingenomen met het succes van de maatregel, besloot de Minister het getakte keurkamerteken in te voeren bij alle keurkamers binnen het Koninkrijk. De invoering ervan voor alle keurkamers vond plaats in januari 1810, gelijktijdig met de ingebruikname van de nieuwe jaarletter, de cursieve C.
- 4-5-2010
Was it of interest? Why not share it with others!












