Categories
- 20th-century Decorative Art
- Arms and Armour
- Books, Manuscripts and Maps
- Classical Antiquities, Coins and Medals
- Clocks, Barometers and instruments
- Furniture
- Jewellery, Snuff Boxes and Miniatures
- Medieval art
- Modern Art
- Oriental and Asian Art
- Paintings, Drawings and Prints
- Porcelain, Ceramics and Glass
- Photography
- Tribal and Pre-Columbian Art
- Sculptures
- Silver
- Textiles, Carpets and Tapestries
- Works of Art
- News
- Blogs
- Books
Quick Search
Thumbs up for ......
Rozenburg Plateel uit Haagse kringen

door Yvonne Brentjens : De Koninklijke Plateelbakkerij Rozenburg (1883-1917) vervaardigde aardewerk en porselein dat internationaal werd bewonderd. De gloriedagen van de Haagse fabriek zijn nauw verbonden met de namen van ontwerper Colenbrander en directeur Kok.
Rozenburg wordt in 1883 als kunstaardewerkfabriek opgericht door de Duitser Wilhelm Wolff Freiherr von Gudenberg. De ondernemer wil aanvankelijk vooral het traditionele Delftse aardewerk gaan maken, maar wordt al gauw ook door eigentijdse artistieke motieven gedreven. Een bondgenoot vindt hij in de excentrieke persoon van T.A.C. Colenbrander (1841-1930), die exotische pullen en schotels ontwerpt met een grillige, bonte ornamentiek. Het zijn de jaren dat de zeeschilder H.W. Mesdag en de literator Carel Vosmaer tot de aandeelhouders van Rozenburg behoren en jonge schilders als Willem de Zwart en W.B. van Horssen er tegels beschilderen. Het is een flamboyante, maar weinig winstgevende start.

Collectie Gemeentearchief Den Haag
Rozenbug en de strijd om het bestaan
In 1882 formuleert Theodoor Colenbrander (1841-1930) zijn definitie van schoonheid. "Kunst zij vol als de roos, bescheiden als de lelie". Het credo calligrafeert hij in een album amicorum voor de bejaarde schrijfster Annie Bosboom-Toussaint (1812-1886). Amper twee jaar later zet de eigenzinnige kunstenaar zijn woorden in beelden om. Rozen en lelies ruilt hij in voor tulpen en irissen. Hij schildert de zon en de wind over een bloemenveld. Als een 'afstammeling' van de Maori's decoreert hij dekselvazen en borden, kommen en pullen. De kleurrijke ornamentiek lijkt zó instinctief uit zijn penseel te vloeien dat geen schrijver ze in woorden kan vangen. De poëzie van Colenbrander wordt synoniem voor de al even bloemrijke naam van de fabrikant waarvoor hij werkt: Rozenburg.
Wanneer de excentrieke vrijgezel de fabriek in 1889 de rug toekeert, is zijn erfenis voller dan de roos en bescheidener dan de lelie. De lyriek is zózeer verweven met zijn creatieve brein, dat de plateelbakkerij wel gedwongen wordt om een alternatieve koers te gaan varen. Dat was Rozenburg trouwens toch al van plan, want veel winst heeft Colenbrander de fabriek tijdens zij vijfjarig dienstverband niet bezorgd.

Biscuitmodellen naar ontwerp van T.A.C. Colenbrander en eierschaalporselein naar ontwerp van Jurrian Kok
Hermetisch worden de poorten lange tijd gesloten voor nieuwe artistieke bevlogenheid. De fabriek wordt een zakelijke onderneming van boekhouders en bestuurders. De uitdaging wordt gezocht in grenzeloze expansiedrift en in onuitputtelijk technisch experiment. Nieuw prestige wordt uiteindelijk gevonden in porselein dat zó flinterdun is dat hij bij de geringste aanraking in scherven uiteen lijkt te vallen. Met het eierschaal van Rozenburg verrijst de Haagse ooievaar rond 1900 als een phoenix uit zijn as. De zware poëzie van Colenbrander maakt plaatsvoor een vederlichte, doorschijnende vormentaal. Grillige theekopjes en schenkkannen bezaaid met seringentakken en distels, spinnenrag en volièregekwetter.
Porselein als een zeepbel die vroeg of laat uit elkaar moet spatten. In de nuchtere optiek van de meeste Hollanders zijn theekopjes nu eenmaal bestemd om thee uit te drinken, al is het alleen maar op zondag of in gezelschap van hoog bezoek. Welk nut heeft in dit land van aardappeleters een suikerpot die enkel en alleen een lust voor het oog is, of een melkkan die zó frêle is dat zij nog geen druppel melk lijkt te kunnen bevatten? Wat zijn in het begin van de twintigste eeuw kortom de overlevingskansen van een fabriek die zich hoofdzakelijk op zelfgenoegzame vitrinestukken toelegt? En belangrijker nog: wat drijft een Hollandse onderneming ertoe om het publiek van louter elitair siergoed te bedienen? De motieven kunnen welhaast geen andere zijn geweest dan internationaal prestige of vaderlandse trots. Theekopjes dus die zelden of nooit naar het genoegen van thee smaken, maar die wel uitermate geschikt zijn om er de ijdele Hollandse dorst mee te lessen.
Rozenburg en haar boegbeelden
Twee namen zijn onlosmakelijk met Rozenburg verbonden, die van de sierkunstenaar Theodoor Colenbrander en van de architect Jurriaan Kok (1861-1919). De heren hebben elkaar in lijfelijke zin maar sporadisch ontmoet in de fabriek. Waarschijnlijk voor het eerst in 1888, toen de plateelbakkerij door brand geteisterd was en er nieuwe uitbreidingsplannen werden gesmeed. Kok betrad het pand aan de Zuid-Binnensingel in Den Haag toen nog als bouwkundige. Colenbrander zwaaide er als artistiek directeur weliswaar nog de scepter, maar hij voelde toen al de bodem onder zijn voeten wegzakken.

Collectie Gemeentemuseum Den Haag.
Zowel Colenbrander als Jurriaan Kok hebben Rozenburg een periode van eeuwige roem bezorgd. Ieder op hun eigen manier. Colenbrander met zijn grillig gedecoreerde, oosters vormgegeven aardewerk, Kok met zijn Flinterdunnen, teer beschilderde eierschaalporselein. Een groter contrast is nauwelijks denkbaar en met die constatering openbaart zich meteen al het schizofrene levensverhaal van de Fabriek. Zetten we een pagodepul van Colenbrander naast een bloemenvaasje van Kok, dan heeft het Rozenburg van Colenbrander met het Rozenburg van Jurriaan Kok eigenlijk maar heel weinig gemeen. Dat vond al vroeg ook Hendrik Enno van Gelder (1876-1960), directeur van het Haags Gemeentemuseum. Hij was een groot bewonderaar van Colenbranders keramiek van de majestueuze bonte kaststellen en ' spectaculaire wandborden die de plateelbakkerij tijdens de eerste jaren van haar bestaan vervaardigde. Over de lange episode dat Jurriaan Kok er de scepter zwaaide en over het eierschaal porselein met zijn 'haast belachelijke pretentie', was Van Gelder heel wat minder enthousiast.
Toen Kok in 1919 overleed, constateerde Van Gelder in zijn in memorarium dat de directeur weliswaar steeds had getracht om met de Fabriek vorm te geven aan de idealen van schoonheid 'ook in de gebruiksdingen van het dagelijks ' leven'. Maar hij liet er onmiddellijk op volgen dat dit streven uiteindelijk een mislukkeling werd, een mislukkeling die volgens hem ook Kok zelF ruiterlijk erkende. 'De Fabriek', zo stelde Van Gelder, 'ging in de strijd om het bestaan steeds meer buiten de kunst om'.
- 13-6-2008
Was it of interest? Why not share it with others!













alvast hartelijk dank