
Het pionierswerk in de tweede helft van de 19de eeuw op het gebied van schoolatlassen met fysische kaarten (bijvoorbeeld geologische, geomorfologische, klimatologische en hydrografische kaarten) is een duidelijke illustratie van de wet van de remmende voorsprong. Deze wet bleek al geldig in Duitsland, aangezien de 'Physikalischer Schul-atlas' uit 1850 van H. Berghaus, een ingekorte versie van zijn 'Physikalischer Atlas', te gecompliceerd werd bevonden en geen commercieel succes was [Ormeling sr., 1999]. Maar ook in Nederland werd pionierswerk niet beloond, zoals dat van J. Kuyper, over wie werd gezegd dat zonder hem het Aardrijkskundig Genootschap moeilijk was voor te stellen. Zijn schoolatlassen uit 1863 ('Natuur- en Staathuishoudkundige Atlas van Nederland' met fysische en sociaal-economische kaarten) en uit 1874 ('Atlas der Natuurkundige Aardrijksbeschrijving' met voornamelijk fysische kaarten) werden als te moeilijk beoordeeld en beleefden geen herdruk [Homan, Koeman en Werner, 1985]. En hetzelfde lot trof de 'Atlas der Natuurkundige Aardrijkskunde' uit 1874 van twee grondleggers van het aardrijkskunde-onderwijs aan de in 1863 opgerichte H.B.S., C.M. Kan en N.W. Posthumus.
Email to Friend
Fill in the form below to send this article to a friend: