Search

Advanced Search

Falkenburg, Prof.dr. R.L.

Prof. dr. R. L. Falkenburg, Professor of Art History at Leiden University, is an expert in late medieval and early modern art and author of many publications on the subject.
(Page 1 of 2)   
« Prev
  
1
  2  Next »

 Articles by this Author

Al ruim een eeuw staan de landschappen van Jan van Goyen te boek als de representanten bij uitstek van het realistische landschapsidioom m de Hollandse Schilderkunst van de Gouden Eeuw Aanvankelijk huldigde men daarbij de opvatting dat deze schildenjen het Hollandse 17de-eeuwse landschap weerspiegelen zoals zieh dat aan het oog van de schilder voordeed Men wist dat 17de-eeuwse schilders niet, of hooguit uiterst zelden rechtstreeks naar de zichtbare natuur schilderden, zoals de impressionisten in de 17de eeuw zouden gaan doen, maar wel tekeningen en schetsen m de natuur maakten. Deze natuurstudies dienden vervolgens als hulpmateriaal bij het schilderen m olieverf van landschappen in het atelier. Deze schildenjen werden zorgvuldig gecomponeerd, maar gaven desalniettemin de indruk direct naar de natuur het alledaagse 17de-eeuwse Hollandse landschap weer te geven.

This article focuses on the rhetorical figure of the 'paradoxical encomium' (the paradoxical eulogy) as the generic principle for the still life paintings by the Dutch painter Pieter Aertsen (1507-1575), the inventor of the genre. It is shown how Aertsen used the idiom of contemporary art with an artistically and socially high Status for his own experiments in 'rhyparography', a mode of pictorial expression associated with the 'paradoxical encomium''.

Notes on the Representation of Mary at the Cross in Late Medieval Netherlandish Literature and Painting

'How often did she [Mary] embrace and kiss that Cross with sad longing, especially where the blessed blood of Jesus flowed down along the Cross. And she kissed the earth there on which the blood of Xpi [Christ] feil, and she licked that blood from the earth with such longing that her face was full of blood. Oh, how sad Mary was.'


Ons beeld van het demonische in de laat-middcleeuwse kunst van de Nederlanden wordt in sterke mate bepaald door de kunst van Jeroen Bosch zijn schilderijen zijn echter met representatief voor de aandacht die men algemeen heeft voor de uitbeelding van de duivel en de kwade machten. Het geringe aantal keren dat de duivel een zichtbare gedaante heeft gekregen in de paneelschilderkunst van Bosch' tijdgenoten, steekt schril af tegen de talloze malen dat de protagonisten van de christelijke heilsgeschiedenis - Jezus, Maria en zelfs God de Vader - een tastbare, vaak heel eigentijds realistische gestalte is veileend. Dit bevreemdt eens te meer wanneer men ziet dat het in de contemporaine literatuur - men denke bijvoorbeeld aan exempelen en allerlei stichtelijke en devotionele geschriften - schering en inslag is dat de duivel en allerlei personificaties van het kwaad een concrete gedaante aannemen en rechtstreeks ingrijpen in het handelen en denken van de mens, met de bedoeling hem in het verderf te stoten.

Met het onderhavige artikel wil ik een bijdrage leveren tot de iconologie van het zestiende eeuwse landschap, in het bij/onder tot de betekenis en functie van het figurale voorstellingselement Ik wil voornamehjk mijn aandacht richten op Pieter Bruegels Kruisdraging in Wenen. Dit schilderij is het doelwit geweest van reeds vele inhoudelijke interpretaties en ik zal niet pretenderen een geheel nieuwe visie op dit schilderij te presenteren Toch is het mijns inziens de moeite waard nog eens stil te staan bij een aantal afzonderlijke motieven die het mogelijk maken het grondthema van de voorstelling betei te begrijpen Bovendien stelt het Schilden] mij in Staat aan te tonen dat er niet alleen, zoals altijd is gezegd, in stilistisch opzicht sprake is van een samenhangende landschapstraditie van Patinir tot Bruegel, maar ook in iconografisch opzicht Daarnaast wil ik ingaan op emige punten van kritiek die tegen de iconologische interpretatie van Bruegels werk, speciaal zijn Kruisdraging, zijn ingebracht. Deze kritiek, die zich richt op de methodische vraag hoe ver men hierbij mag gaan, raakt tevens een wezenlijk aspect van de inhoudelijke strekking van het schilderij zelf: de subjectieve inbreng van de beschouwer bij de interpretatie van de vootstelling.

Landscape is traditionally known as the genre in which the 'art for art's sake' concept finds its prime reflection. Until recently, therefore, there was a virtually total lack of any iconographic approach in the study of Netherlandish 16th and 17th-century landscape painting. Where there was any allusion to it, the 'content' of a painted landscape was primarily identified with the artist's experience of nature. The realism exhibited by these landscapes - to a greater or lesser degree - was associated with an Intention on the artist's part to hold on to this aesthetic perception of the visible reality, so as to allow the spectator to share it.

Twee recente studies, een kunsthistorische en een literatuur-historische, maken het zinvol om bij de vraag naar de neerslag van doperse denkbeelden in de Nederlandse schilderkunst van de 17de eeuw de blik te richten op een genre waarvan men met licht zou vei wachten er een weerklank aan te treffen van wat voor religieuze denkbeelden dan ook ' Dit genre, het geschilderde Hollandse landschap, IS traditioneel door historici geroemd om zijn vei bluffend realistische weergave van de zichtbare werkelijkheid Voor zover men de landschapsvoorstelling een "inhoud" of "betekenis" toekent, vereenzelvigt men die met het realisme van de voorstelling zelf en met de esthetische natuurbeleving van de schilder die hierin besloten ligt De voorstelling appelleert dan ook met zozeer aan de analytische scherpzinnigheid van de beschouwer, als wel aan zijn vermogen tot esthetische empathie tot invoeling in de landschapservaring van de kunstenaar

In 1971 schreef de kunsthistoricus E. de Jongh dat de 17de eeuwse landschapskunst nog het duidelijkst, ongetwijfeld meer dan andere categorieën, in de richting van het l'art pour l'art wijst, een opvatting waarvan de formulering nog twee eeuwen op zieh zou laten 'wachten.' Het spreekt boekdelen dat juist De Jongh, die immers bekend geworden is door zijn iconografische interpretaties van het zeventiende-eeuwse Nederlandse genrestuk welke de l'art pour l'art conceptie ten aanzien van dit genre wezenlijk hebben ondermijnd, deze conceptie nog wel geldig achtte voor het landschap. Dit illustreert hoe gangbaar ook onder kunsthistorici de mening was - en is - dat het Hollandse landschap van de zeventiende eeuw om geen andere reden geschilderd is dan om de verbluffend realistische weergave van de zichtbare werkelijkheid. Als men al van een 'inhoud' of 'betekenis' van het landschap wil spreken bestaat deze uit de realistische voorstelling zelf en uit de esthetische natuurbeleving van de schilder die hierin besloten ligt. De functie van deze voorstelling voor de (moderne en dus ook voor de zeventiende-eeuwse) beschouwer is gelegen in het esthetische plezier en kunstgenot dat zij hem biedt. Het is een kunst voor het oog en het hart, niet voor het verstand; de 'betekenis' ervan kan alleen door invoeling worden ervaren, niet beredeneerd.

In de kunsthistonsche literatuur bestaat nog geen consensus omtrent de aard en de herkomst van de conceptie die ten grondslag ligt aan de stilleven komposities in Pieter Aertsens markt scenes en keuken-interieurs. De nadrukkelijke presentatie in deze schilderijen van groenten, vleespartijen, vis, gevogelte, vruchten, noten, boter, melk, eieren en bak waren is veelal herleid tot Aeitsens fascinatie voor de zichtbare werkelijkheid en tot zijn behoefte - of die van zijn publiek - aan esthetisch genot van de in deze schilderijen vereeuwigde vergankelijke etenswaar. De esthetische appreciatie van de naturalistische weergave van deze etenswaar kan tot Aertsens eigen tijd (Hadrianus Junius en Carel van Mandei) worden getiaceerd, en is dan ook steeds verdisconteerd in alle andere beweegredenen voor het concipiëren van de stilleven komposities die men Aertsen heeft toegeschreven.

One of the problems on which iconographical research on the market scenes and kitchen pieces by Pieter Aertsen and Joachim Beuckelaer has concentrated is the issue of the antithetical structure of these pictures. Jan Emmens in particular devoted attention to this problem, pointing out the existence of an antithesis between a broad display of earthly goods and wordly behaviour in the foreground and a religious story painted in the background in a whole series of market scenes and kitchen pieces by Aertsen and Beuckelaer dating from the third quarter of the 16th century.