Search

Advanced Search

Paintings, Drawings and Prints


(Page 1 of 4)   
« Prev
  
1
  2  3  4  Next »
In mei 1778 scheepten Jan Brandes en zijn vrouw Truy zich in op de Oost-Indiëvaarder Holland. Brandes werd als lutherse dominee uitgezonden naar Batavia, het centrum van het koloniale rijk van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Jan Brandes was geboren in Bodegraven, had gestudeerd in Leiden en Duitsland en als predikant gewerkt in Doetinchem.

De schilderkunst in de Nederlanden kwam tot grote bloei dankzij de uitvinding van het schilderen in olieverf aan het begin van de 15de eeuw; doorgaans wordt aangenomen dat Jan van Eyck de eerste was die deze techniek onder de knie kreeg. Olieverf droogt vrij langzaam waardoor de schilder veel tijd heeft voor fijne details, mooie, geleidelijke kleurovergangen kan maken en een foutje vrij gemakkelijk kan herstellen. Dat in een schilderij zulke prachtige effecten kunnen worden bereikt – een glanzende parel, een blozende wang, het wuivende groen van een boom – is aan de uitvinding van de olieverfschilderkunst te danken. En dat de mensen bij het horen van het woord ‘kunst’ vaak aan ‘schilderkunst’ denken, komt omdat er al eeuwenlang een grote bewondering is voor de betoverende wereld – net echt – in het platte vlak van een schilderij.

Alle vier tuimelen ze door de ruimte, als astronauten uit een ontplofte capsule, als klerken uit een brandende wolkenkrabber, Tantalus, Icarus, Phaëton en Ixion, op de vier prenten die Hendrick Goltzius in 1588 vervaardigde. Mooie afbeeldingen, tondo’s, die door hun perspectief en doordat ze rond zijn een zuigende, wervelende uitwerking op onze blik hebben. Ze bewerkstelligen een gevoel van duizeligheid, een vermoeden van hoogtevrees.

Op tafel ligt een tekening van een verminkte hand. Het is de rechterhand van Hendrick Goltzius (1558-1617), wiens virtuoze prenten en tekeningen bij tijdgenoten in heel Europa bewondering afdwongen, onder meer aan het Praagse hof van keizer Rudolf II. ‘En met deze hand’, benadrukt conservator prentkunst Huigen Leeflang, ‘heeft hij al die fantastische werken gemaakt!’ Goltzius hanteerde met schijnbaar evenveel gemak de pen, de burijn en – op latere leeftijd – het penseel.

Jean-Etienne Liotard wordt beschouwd als een van de belangrijkste 18de-eeuwse pastelschilders van Europa. Zijn portretten, oosterse taferelen én zijn excentrieke uiterlijk maakten hem populair aan het hof in Wenen, Londen, Parijs en Den Haag.

Michael Sweerts (1618-1664) is één van de meest bijzondere en tegelijk raadselachtige schilders van de 17de eeuw. Niet alleen vanwege zijn mysterieuze schilderstijl, maar ook door de mythevorming rond zijn persoon. Een eenling werd hij genoemd, een melancholicus, een godsdienstfanaat, een ruziezoeker en een homoseksueel. Hij is één van die onbekende meesters die pas omstreeks 1900 werd ontdekt. Niet zo vreemd, want veel van zijn schilderijen zijn niet gesigneerd en maar drie dragen een datum. Bovendien bevonden de meeste schilderijen zich toen bij particulieren thuis en was de naam van de kunstenaar allang vergeten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Sweerts’ werk aanvankelijk nogal eens aan andere schilders werd toegeschreven. Aan Nicolas Poussin bijvoorbeeld, omdat Sweerts net als deze Franse schilder een voorkeur had voor uitgekiende composities van figuren die aan klassieke beelden doen denken.

In België noemt men ze meestal mannekensbladen of kinderprenten, zo ook in Nederland. In Duitsland noemt men ze Bilderbogen of Fliegende Blätter, in Frankrijk imagerie populaire, feuilles volantes of images d’ enfants. In Zweden heeft met het over Kristbref naar de gewoonte om ze in een kofferdeksel te kleven. Deze termen komen grotendeels overeen met de benaming volksprent.

Italië, met zijn Romeinse oudheden, de kunst van de Renaissance en het zonovergoten landschap, werkt al vanaf de 16de eeuw als een magneet op kunstenaars uit het noorden. Voor een groep Nederlandse schilders, tekenaars en etsers uit de 17de eeuw was Italië zo belangrijk dat zij de geschiedenis ingingen als de ‘italianisanten’.

Ohara Koson werd in 1877 geboren als Ohara Matao in de stad Kanazawa op het Japanse eiland Hokaido, en volgde daar een eerste opleiding in ontwerpen en schilderen. In de jaren ’90 van de negentiende eeuw kreeg hij les van de landschapsschilder Suzuki Kason (1860-1919) in Tokio, waar hij in aanraking kwam met de vernieuwende stroming van de Nihonga (letterlijk: Japans Schilderen). Hij leerde er traditionele Japanse technieken op een nieuwe manier te gebruiken en liet zich waarschijnlijk ook inspireren door kunst uit het westen. Koson ontwikkelde zich voornamelijk als een ontwerper van prenten waarin hij de natuur verbeeldde. De meeste werken signeerde hij met zijn kunstenaarsnaam Koson, maar later ondertekende hij ook wel met Shoson of Hoson.

Rembrandt was de beste etser van zijn tijd. In de tentoonstelling ‘Rembrandt in alle staten’ is, in twee delen, bijna het complete prentwerk van de meester te zien: tot 8 oktober 2000 de etsen die Rembrandt voor 1643 maakte en vanaf 14 oktober de prenten die daarna zijn ontstaan. Van de meeste werken zijn verschillende versies, ‘staten’, naast elkaar te zien. Om de mooiste afdrukken en bijzonderste staten te kunnen tonen zijn ook werken geleend uit de verzameling Rembrandt-prenten van het British Museum in Londen. Op deze pagina’s staan vier prenten uit de eerste tentoonstelling naast vier met een zelfde thema uit de tweede tentoonstelling.

(Page 1 of 4)   
« Prev
  
1
  2  3  4  Next »