Bij de vrede van Tilsit (juni 1807) verwierf Napoleon het graafschap Oost-Friesland van de koning van Pruisen. Van de tsaar van Rusland eigende hij zich de heerlijkheid lever toe. In november 1807 droeg Napoleon deze gebieden, in het Hollands-Franse verdrag van Fontainebleau, over aan zijn broer, Lodewijk Napoleon, koning van Holland. Het verworven gebied kwam als het departement Oost-Friesland onder `Hollands' bestuur, met de daarbij behorende wetgeving. De Hollandse wetgeving op gouden en zilveren werken van 11 maart 1807 werd ook van kracht in het nieuw verworven departement. De wet regelde de keuring en de inning van de belasting op deze luxe. De minister van Financiën, I.J.A. Gogel, die verantwoordelijk was voor de uitvoering van de wet op de gouden en zilveren voorwerpen, besloot in het nieuw verworven departement ook keurkamers op te richten.